Module 5 · Les 33 - Pathologie en eetstoornissen

Zelfstudie voedingsleer · Module 5: Coachen en begeleiden als gewichtsconsulent

Inhoudsopgave

33.1 Inleiding: de grenzen van je vakgebied

33.2 Hart en bloedvaten: hoge bloeddruk, cholesterol, metabool syndroom

33.3 Diabetes mellitus

33.4 Andere stofwisselings- en hormoonziekten

33.5 Maag en darmen

33.6 Ondervoeding en ernstige ziekten

33.7 Medicijnen en gewicht

33.8 Eetstoornissen

33.9 Verstoord eetgedrag: orthorexia en anorexia athletica

33.10 Emotie-eten

33.11 Begrippenlijst: Nederlandse en medische namen

33.12 Omstreden punten eerlijk bekeken

33.13 Onderbouwd of niet? Een overzicht

33.14 Je rol en je grenzen

33.15 Samenvatting

33.16 Oefenopgaven

33.17 Praktijkopgaven

Bronnen

Over dit materiaal

Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van de exameneisen van de BGN, de Zorgstandaard Eetstoornissen (2025), het advies van de Gezondheidsraad over eetstoornissen (2022), de NHG-Standaarden Obesitas, Diabetes mellitus type 2, Cardiovasculair risicomanagement, Obstipatie en Voedselovergevoeligheid en coeliakie, de examenbron Nutritional Assessment van het Maastricht UMC+ en onderzoek naar anorexia athletica en orthorexia (zie Bronnen achteraan). Het is bedoeld om ziektebeelden te herkennen en door te verwijzen; het is geen handleiding voor diagnose of behandeling.

33.1 Inleiding: de grenzen van je vakgebied

Een gewichtsconsulent werkt met gezonde mensen en mensen met overgewicht. Maar overgewicht gaat vaak samen met ziekten zoals hoge bloeddruk en diabetes, en een deel van de mensen die hulp zoeken bij afvallen, heeft een eetstoornis (les 32). Daarom moet je ziektebeelden kunnen herkennen: niet om ze te behandelen, maar om te weten wanneer je niet of niet alleen kunt begeleiden. Het examen (vakkennis 5, 'de grenzen van haar vakgebied') vraagt dat je van de ziektebeelden in deze les de Nederlandse én de medische (Latijnse) naam kent.

Twee kernregels van de BGN

1. De gewichtsconsulent is niet opgeleid om medische of voedingskundige diagnoses te stellen.

2. Cliënten die op medische grond een specifiek dieet nodig hebben, worden niet door de gewichtsconsulent begeleid. Dat is het werk van de diëtist (Wet BIG, art. 34), in overleg met de huisarts of specialist.

In deze les, module 5, onderdeel 5.2, bespreek je per ziektebeeld wat het is, wat de rol van voeding is en wie behandelt. De fysiologie staat in eerdere lessen en in de zelfstudie hormonen; hier gaat het om de toepassing in de praktijk. Daarna komen eetstoornissen, verstoord eetgedrag en emotie-eten uitgebreid aan bod, omdat je die als gewichtsconsulent het vaakst tegenkomt en omdat een afvaltraject daar kan schaden. Figuur 1 geeft het overzicht van wat jij wel en niet doet.

Figuur 1: wie behandelt wat? Drie situaties met voorbeelden.

Na deze les kun je:

33.2 Hart en bloedvaten: hoge bloeddruk, cholesterol, metabool syndroom

33.2.1 Hoge bloeddruk (hypertensie)

Bij hoge bloeddruk (hypertensie) is de druk in de slagaders langdurig te hoog. Het is een van de belangrijke risicofactoren voor hart- en vaatziekten (NHG CVRM). De huisarts stelt de diagnose en bepaalt of medicijnen nodig zijn; streefwaarden zijn artsenwerk. De NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (CVRM) geeft als leefstijladvies de Richtlijnen goede voeding, met onder meer maximaal 6 gram keukenzout per dag, geen of hooguit één glas alcohol per dag, niet roken, voldoende bewegen en afvallen bij overgewicht. Zout en kalium: les 7 en 9.

33.2.2 Verhoogd cholesterol (hypercholesterolemie)

Bij een verhoogd bloedcholesterolgehalte (hypercholesterolemie; breder: dyslipidemie, een verhoogde of verlaagde concentratie van LDL-cholesterol, HDL-cholesterol of triglyceriden) slaat er makkelijker vet neer in de vaatwand (atherosclerose). Verzadigd vet en transvet verhogen het LDL-cholesterol; vervangen door onverzadigd vet verlaagt het (les 5). Bij de erfelijke vorm, familiaire hypercholesterolemie (les 5), zijn onderzoek en behandeling door de arts nodig. Ook hier: de arts beoordeelt de waarden, jij interpreteert geen bloeduitslagen.

33.2.3 Metabool syndroom

Het metabool syndroom is een combinatie van risicofactoren die samen de kans op diabetes type 2 en hart- en vaatziekten sterk verhogen. De kern is buikvet met insulineresistentie (zelfstudie hormonen, les 6). De meest gebruikte definitie (NCEP-ATP-III, in de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2) is: drie of meer van de volgende vijf:

ComponentGrens
Middelomtrek> 102 cm (mannen), > 88 cm (vrouwen)
Triglyceriden (nuchter)≥ 1,7 mmol/l
HDL-cholesterol< 1,0 mmol/l (mannen), < 1,3 mmol/l (vrouwen)
Bloeddruk≥ 130/85 mmHg
Nuchtere glucose≥ 6,1 mmol/l

Van deze vijf kun jij alleen de middelomtrek zelf meten (les 34). Een sterk vergrote middelomtrek is dus een reden om te vragen of de cliënt recent bij de huisarts is geweest voor bloeddruk en bloedonderzoek. Afvallen (al 5-10 procent), bewegen en gezonde voeding verbeteren alle componenten (les 29, 30).

33.3 Diabetes mellitus

Diabetes mellitus ('suikerziekte') is een stoornis waarbij de bloedglucose te hoog is, door een tekort aan insuline, een verminderde werking van insuline, of beide (les 4; zelfstudie hormonen, les 6).

Wat zegt de NHG over afvallen bij diabetes type 2? Een energiebeperkt voedingspatroon volgens de Richtlijnen goede voeding heeft de voorkeur. Er is geen voorkeur voor een specifiek dieet (vetbeperkt, koolhydraatbeperkt, ketogeen, mediterraan, paleo of intermitterend vasten). Al 5-10 procent gewichtsverlies geeft een lagere glucose, betere bloedvetten en een lagere bloeddruk. Intermitterend vasten is minder geschikt bij gebruik van sulfonylureumderivaten of insuline (kans op een hypo) en van SGLT2-remmers (kans op ketoacidose). Bij sommige mensen gaat diabetes type 2 door flink afvallen in remissie (zelfstudie hormonen, les 6: DiRECT).

Hypo: herkennen en handelen

Een hypoglykemie is een bloedglucose lager dan 3,9 mmol/l (NHG). Klachten: zweten, hartkloppingen, onrust en bij ernst verminderd bewustzijn; ouderen merken het minder. Een hypo komt vooral voor bij insuline en sulfonylureumderivaten (zoals gliclazide), en vaker bij minder eten, meer bewegen of alcohol.

Voor jou: een cliënt met diabetes die deze medicijnen gebruikt, verandert zijn eten of bewegen alleen in overleg met de huisarts of praktijkondersteuner. Heeft iemand met diabetes met tabletten alleen (bijvoorbeeld metformine) en zonder complicaties een gewone afvalvraag, dan kun je soms in overleg met de huisarts begeleiden; vraag bij twijfel altijd eerst.

33.4 Andere stofwisselings- en hormoonziekten

Een aantal aandoeningen beïnvloedt het gewicht of wordt erdoor beïnvloed. Je herkent ze, je stelt ze niet vast:

AandoeningRelatie met gewichtZie
Te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie)Bescheiden gewichtstoename, moeheid, kouwelijk; omgekeerd geeft obesitas vaak een licht verhoogd TSH dat bij afvallen normaliseert (NHG)hormonen les 4
Leververvetting (MASLD)Vet in de lever door overgewicht en insulineresistentie; afvallen is de behandelinghormonen les 5
Polycysteus-ovariumsyndroom (PCOS)Onregelmatige cyclus, insulineresistentie, vaak overgewicht; afvallen verbetert de klachtenhormonen les 11
Syndroom van CushingTe veel cortisol (ook door langdurig prednison): buikvet, rond gezicht; zeldzaamhormonen les 7

Bij klachten die op een van deze aandoeningen wijzen (bijvoorbeeld extreme moeheid, een sterk wisselende cyclus, onverklaarde gewichtstoename), verwijs je naar de huisarts. Na de diagnose kan een cliënt met bijvoorbeeld een goed behandelde schildklier of PCOS meestal gewoon bij jou terecht, omdat er geen specifiek medisch dieet nodig is; overleg bij twijfel.

33.5 Maag en darmen

33.5.1 Obstipatie en diarree

Obstipatie (verstopping) is volgens de NHG bij volwassenen: ten minste twee van deze klachten: ontlasting twee keer per week of minder, hard persen, harde of keutelige ontlasting, het gevoel dat de ontlasting niet helemaal kwijt is, het gevoel van een blokkade, of de ontlasting met de vingers moeten verwijderen. Meestal is er geen lichamelijke oorzaak. Adviezen: vezelrijk eten (30-40 gram vezel via de voeding), normaal drinken (extra drinken heeft geen bewezen effect) en bewegen (les 2, 4). Bij bloed bij de ontlasting, onverklaard gewichtsverlies of klachten die niet overgaan: huisarts.

Diarree is volgens de examenbron (Maastricht UMC+, naar het Diagnostisch Kompas) drie of meer dunvloeibare of ongevormde ontlastingen per dag, bij volwassenen meer dan 200 gram per dag. Bij aanhoudende of ernstige diarree verwijs je naar de huisarts.

33.5.2 Voedselallergie en voedselintolerantie

De NHG gebruikt voedselovergevoeligheid als overkoepelende term voor ongewenste, steeds terugkerende reacties op voedsel. Die is ofwel allergisch (het afweersysteem reageert, meestal via IgE-antistoffen op een eiwit; reacties van jeuk en zwelling tot een levensbedreigende anafylactische shock), ofwel niet-allergisch: de voedselintolerantie, zonder rol van het afweersysteem. Het bekendste voorbeeld is lactose-intolerantie: te weinig lactase, waardoor melksuiker in de dikke darm gist (les 2, 4); volwassenen verdragen gemiddeld 12-15 gram lactose per dag zonder klachten. Een zekere diagnose voedselallergie is alleen te stellen met een goed uitgevoerde provocatietest.

Coeliakie is een auto-immuunziekte waarbij gluten de dunnedarmwand beschadigen. Behandeling: levenslang strikt glutenvrij, met een diëtist. Belangrijk: niet glutenvrij gaan eten vóór de diagnose, anders kan de arts de ziekte niet meer goed aantonen (les 12, 14). Prikkelbaredarmsyndroom (PDS): buikpijn met een wisselend ontlastingspatroon zonder aantoonbare afwijking; een FODMAP-arm dieet hoort onder begeleiding van een diëtist (les 2).

Voor jou

Een cliënt met een vastgestelde allergie of lactose-intolerantie kun je meestal begeleiden: je houdt rekening met wat hij niet mag (etiket, allergenen, les 14-15). Coeliakie, ernstige of meerdere allergieën, darmziekten (zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa) en PDS met een FODMAP-dieet zijn diëtistenwerk. Klachten zonder diagnose: eerst naar de huisarts, en adviseer niet zelf om producten weg te laten.

33.6 Ondervoeding en ernstige ziekten

Ondervoeding is volgens de definitie die de examenbron gebruikt (Stuurgroep Ondervoeding, 2007): 'een voedingstoestand waarbij een tekort (of dysbalans) van energie en eiwit en eventueel andere voedingsstoffen ten gevolge van ziekte leidt tot meetbare nadelige effecten op lichaamssamenstelling, functioneren en klinische resultaten'. Ondervoeding bij ziekte komt dus niet alleen door te weinig eten, maar ook door de ziekte zelf (afbraak, ontsteking). Ook iemand met overgewicht kan ondervoed zijn: spierverlies kan achter een normaal of hoog gewicht schuilgaan, en vocht (oedeem) kan gewichtsverlies maskeren. Een te lage vetvrije-massa-index (lager dan 16 kg/m² bij mannen en 15 kg/m² bij vrouwen) wijst op spiertekort (les 34).

Bij nierziekte, COPD, kanker, ernstige leverziekte en na een grote operatie zijn de voedingsbehoeften anders (vaak meer eiwit en energie, soms beperkingen van eiwit, kalium of vocht). Afvallen kan dan schadelijk zijn. Dit is altijd diëtistenzorg in overleg met de behandelaar. Onbedoeld gewichtsverlies is bij elke cliënt een reden voor de huisarts.

33.7 Medicijnen en gewicht

Volgens de NHG-Standaard Obesitas kunnen deze medicijnen gewichtstoename geven (in de NHG-tabel: 1 kg of meer, bij sommige meer dan 3 kg):

GroepVoorbeelden van gebruik
Antipsychoticapsychose, bipolaire stoornis
Antidepressiva (onder meer SSRI's, tricyclische antidepressiva, mirtazapine) en lithiumdepressie, angst, bipolaire stoornis
Insuline, sulfonylureumderivaten, pioglitazondiabetes
Corticosteroïden (zoals prednison, bij langdurig gebruik)astma, reuma, ontstekingsziekten
Valproïnezuur, gabapentine, pregabalineepilepsie, zenuwpijn
Bètablokkershoge bloeddruk, hartziekten
Maagzuurremmers (PPI's), antihistaminicamaagklachten, allergie
Medroxyprogesteron (prikpil)anticonceptie

Ook medicatie die iemand vroeger gebruikte, kan aan het gewicht hebben bijgedragen. De huisarts kan soms een alternatief zoeken of de dosis aanpassen. Het belangrijkste voor jou: een cliënt stopt nooit zelf met een medicijn en jij adviseert dat ook nooit. Je kunt wel zeggen: 'Dit medicijn kan meespelen bij het aankomen. Wilt u dat eens met uw huisarts bespreken?' Twijfelt een cliënt of een medicijn samengaat met bepaalde voeding, dan verwijs je naar de apotheek of huisarts. Afvalmedicatie (GLP-1-middelen) staat in les 29.

33.8 Eetstoornissen

Eetstoornissen zijn psychische stoornissen waarbij eten, gewicht en lichaamsbeeld centraal staan en die leiden tot lichamelijke schade en lijdensdruk. Ze worden ingedeeld volgens het classificatiesysteem DSM-5-TR. In Nederland beschrijft de Zorgstandaard Eetstoornissen (Akwa GGZ, vernieuwd in 2025; de vorige was van 2017) hoe de zorg eruitziet. Hij gaat over vier specifieke stoornissen: anorexia nervosa, boulimia nervosa, de eetbuistoornis en ARFID, met handvatten voor de andere vormen. Obesitas zelf is volgens de DSM-5-TR geen psychische stoornis.

33.8.1 Anorexia nervosa

Bij anorexia nervosa (AN) beperkt iemand de energie-inname zo sterk dat het gewicht significant te laag wordt. Daarbij is er een intense angst om aan te komen (of gedrag dat aankomen verhindert, ook bij een laag gewicht) en een verstoorde beleving van gewicht en lichaamsvorm: die hebben onevenredig veel invloed op het zelfbeeld, of iemand ziet de ernst van het lage gewicht niet. Er zijn twee typen: het restrictieve type (vooral minder eten, vasten of veel bewegen) en het eetbuien-/purgerende type (ook eetbuien en/of braken, laxeermiddelen). Sommige mensen zeggen niet bang te zijn om dik te worden. De ernst bij volwassenen wordt ingedeeld naar BMI (figuur 2); bij kinderen en jongeren naar BMI-percentielen.

Figuur 2: ernst van anorexia nervosa bij volwassenen naar BMI (DSM-5-TR, zoals in de Zorgstandaard Eetstoornissen 2025).

Lichamelijke gevolgen (Zorgstandaard) zijn onder meer een trage hartslag, lage bloeddruk, duizeligheid bij opstaan, lage bloedsuiker, bloedarmoede, obstipatie en een vol gevoel, uitdroging, haaruitval, broze nagels, een droge huid, donshaar op het lichaam (lanugo), een oranje verkleurde huid, slaapproblemen, botontkalking, uitblijvende menstruatie en verminderde vruchtbaarheid. Veel klachten zijn een aanpassing aan het energietekort en herstellen bij een gezond gewicht. Volgens de Zorgstandaard overlijdt per tien jaar overlijdt ongeveer 5 procent van de patiënten, van wie een op de vijf door suïcide.

33.8.2 Boulimia nervosa

Bij boulimia nervosa (BN) heeft iemand eetbuien: in korte tijd duidelijk meer eten dan anderen zouden doen, met het gevoel de controle te verliezen. Daarna volgt compensatiegedrag: braken, laxeermiddelen, plaspillen of andere medicijnen, vasten of overdadig bewegen. Beide gebeuren gemiddeld minstens één keer per week gedurende drie maanden, en het zelfbeeld hangt sterk af van gewicht en figuur. Het gewicht is meestal normaal en kan sterk schommelen: je ziet het niet aan iemand. Braken beschadigt onder meer het gebit en de speekselklieren, verstoort de zouten in het bloed (elektrolyten) en geeft soms wondjes of eeltige plekken op de handrug door het opwekken van braken (teken van Russel).

33.8.3 Eetbuistoornis (binge eating disorder)

De eetbuistoornis (binge eating disorder, BED) is voor jou de belangrijkste, omdat hij veel voorkomt bij mensen met overgewicht. Iemand heeft eetbuien met controleverlies, gemiddeld minstens één keer per week gedurende drie maanden, met duidelijke lijdensdruk, en minstens drie van deze kenmerken:

Anders dan bij boulimia is er geen compensatiegedrag. De ernst hangt af van het aantal eetbuien: licht is 1-3 per week, zeer ernstig 14 of meer. Volgens de Zorgstandaard heeft 1 op de 3 mensen met obesitas die hulp zoekt bij afvallen een eetbuistoornis, en zonder behandeling duurt de stoornis bij volwassenen gemiddeld 14-16 jaar. Slechts de helft zoekt hulp, vaak door schaamte; de drempel is extra hoog bij mannen en mensen uit etnische minderheden.

Eetbuistoornis en afvallen (Zorgstandaard 2025)

'In de behandeling van BED staat het normaliseren van het gewicht in eerste instantie niet centraal.' De behandeling (vooral cognitieve gedragstherapie) richt zich eerst op het stoppen van de eetbuien, onder meer met een regelmatig eetpatroon van zes eetmomenten per dag. Pas aan het einde of vlak na de behandeling kan verwijzing naar een diëtist voor een gewichtsreducerend programma of een GLI worden overwogen. Lijngedrag kan het risico op terugval vergroten.

Voor jou: bij (een vermoeden van) een eetbuistoornis start je geen afvaltraject. Na een behandeling kun je in overleg met de behandelaar een rol krijgen.

33.8.4 ARFID en OSFED

ARFID (avoidant/restrictive food intake disorder, vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis) is een voedingsstoornis waarbij iemand te weinig binnenkrijgt door selectief of beperkt eten, zonder angst om dik te worden of een verstoord lichaamsbeeld. Er zijn drie profielen: weinig interesse in eten of weinig honger; vermijden door smaak, geur, kleur of textuur; en angst voor nare gevolgen zoals stikken, braken of pijn. ARFID begint vaak jong, komt vaker voor bij jongens en kan bij elk gewicht voorkomen, ook bij overgewicht.

OSFED (other specified feeding or eating disorder, andere gespecificeerde voedings- of eetstoornis) is de naam voor eetstoornissen die ernstig zijn maar niet aan alle criteria voldoen. De DSM geeft vijf voorbeelden: atypische anorexia (alle kenmerken, maar na flink afvallen nog een normaal of hoog gewicht, vaak met dezelfde lichamelijke complicaties), boulimia en eetbuistoornis met een lagere frequentie of kortere duur, de purgeerstoornis (braken of laxeren zonder eetbuien) en het nachtelijk-eetsyndroom. Atypische anorexia is belangrijk voor jou: iemand met overgewicht die heel snel en extreem afvalt, kan ernstig ziek zijn.

33.8.5 Hoe vaak, en wie loopt risico?

Figuur 3: percentage mensen in westerse landen dat ooit in het leven een eetstoornis heeft (Zorgstandaard Eetstoornissen 2025; voor de eetbuistoornis de cijfers van de Gezondheidsraad 2022, de Zorgstandaard noemt ongeveer 1-4 procent).

Eetstoornissen beginnen vaak tussen 15 en 30 jaar, maar komen op elke leeftijd voor, ook rond de overgang. Het aantal nieuwe gevallen van anorexia bij meisjes van 10-14 jaar steeg in Nederland van 8,6 naar 38,6 per 100.000, terwijl het totaal gelijk bleef. Alle eetstoornissen worden ondergerapporteerd. Risicofactoren volgens de Zorgstandaard zijn onder meer erfelijke kwetsbaarheid, lijngedrag als trigger, sporten waarin een laag gewicht of uiterlijk telt, gepest worden om het uiterlijk, sociale media en influencers. De Zorgstandaard noemt ook uitdrukkelijk 'coaches die afvallen aanmoedigen' als mogelijk risico bij boulimia. Dat is een spiegel voor jouw beroep.

33.8.6 Behandeling en spoed

Behandeling gebeurt in de ggz, liefst ambulant en zo vroeg mogelijk: vroeg herkennen verbetert de kans op herstel. Voorbeelden: familiebehandeling bij jongeren met anorexia, en verbeterde cognitieve gedragstherapie (CBT-E) bij volwassenen met anorexia, boulimia of een eetbuistoornis; daarnaast psychomotorische therapie, een gespecialiseerde diëtist en ervaringsdeskundigen. Behandelingen geven ongeveer 50 procent kans op herstel. De Zorgstandaard: 'de focus moet liggen op de kwaliteit van leven, niet op gewicht'. Wachttijden waren in 2022 vaak langer dan de norm (Gezondheidsraad).

Bij ernstig ondergewicht is het weer gaan eten (hervoeding) gevaarlijk: in de eerste twee weken, vooral de eerste drie dagen, kan het refeedingsyndroom optreden, waarbij fosfaat, kalium en magnesium in het bloed sterk dalen. Hervoeding gebeurt dus altijd onder medische begeleiding. De Zorgstandaard noemt redenen om binnen 24 uur een arts te laten kijken, onder meer: niets meer drinken en weinig plassen, minder dan 500 kcal per dag langer dan vijf dagen, flauwvallen, uitputting en vertraagd denken. Jongens en sporters hebben een verhoogd risico op complicaties. En: geen fysieke inspanning bij een inname onder 1500 kcal per dag tijdens de behandeling.

Figuur 4: signalen die op een eetstoornis kunnen wijzen (naar de Zorgstandaard Eetstoornissen 2025). Lichamelijke klachten zijn vaak een 'verhulde hulpvraag'.

33.9 Verstoord eetgedrag: orthorexia en anorexia athletica

Tussen 'gewoon eten' en een eetstoornis ligt een breed gebied van verstoord eetgedrag (figuur 5): veel lijnen, jojo'en, steeds met gewicht bezig zijn, eetbuien die niet aan de criteria voldoen. De NHG-Standaard Obesitas wijst erop dat veel mensen met obesitas zulke eetproblemen hebben. Twee vormen noemt het examen bij naam. Beide zijn geen officiële diagnoses in de DSM-5-TR en komen niet voor in de Zorgstandaard; ze kunnen wel overgaan in een eetstoornis of vallen onder OSFED.

Figuur 5: het spectrum van eetgedrag, van ontspannen eten via verstoord eetgedrag naar een eetstoornis.

33.9.1 Orthorexia nervosa

De term orthorexia nervosa (letterlijk: 'juiste eetlust') werd in 1997 bedacht door de arts Steven Bratman. Het gaat om een obsessie met 'gezond' of 'zuiver' eten: steeds strengere regels, hele productgroepen schrappen, angst en schuld bij een 'fout', sociale situaties met eten vermijden. Het wordt een probleem als het leidt tot ondervoeding, gewichtsverlies of grote beperkingen in het dagelijks leven. Dunn en Bratman (2016) stelden criteria voor, maar onderzoek naar hoe vaak het voorkomt, heeft grote tekortkomingen. Let op bij cliënten die steeds meer 'verboden' producten noemen.

33.9.2 Anorexia athletica

Anorexia athletica is een term van de Noorse onderzoeker Jorunn Sundgot-Borgen voor eetstoornissen bij sporters: sporters beperken hun energie-inname en/of trainen extra om een laag gewicht of weinig vet te bereiken, voor de prestatie of het uiterlijk. In haar onderzoek onder 522 Noorse topsporters had 18 procent een eetstoornis, tegen 5 procent van de controlegroep, vooral in sporten waarin slankheid of een bepaald gewicht telt; sporters gaven in vragenlijsten minder toe dan in interviews. Uitlokkende factoren waren lange periodes van lijnen, veel gewichtsschommelingen, een plotselinge toename van het trainingsvolume en ingrijpende gebeurtenissen zoals een blessure of het verlies van een coach. Bij balletdansers vond een Duitse studie anorexia athletica bij 5,8 procent.

In overzichtsartikelen worden criteria van Sundgot-Borgen beschreven, zoals gewichtsverlies van meer dan 5 procent onder het verwachte gewicht, beperking van de energie-inname, overmatige angst om dik te worden en klachten als een uitblijvende menstruatie; deze criteria zijn nooit officieel vastgelegd. Het beeld overlapt met REDs (relatief energietekort bij sporten, les 22) en speelt vooral bij gewichtsklassensporten en esthetische sporten (les 27, 28).

33.10 Emotie-eten

Emotie-eten (emotioneel eten) is eten als reactie op gevoelens zoals spanning, verdriet, boosheid, verveling of eenzaamheid, in plaats van op honger. Het is een van de drie eetstijlen van de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (les 32). Bijna iedereen eet weleens uit emotie; het wordt een probleem als het vaak gebeurt, het de belangrijkste manier is om met gevoelens om te gaan, en tot gewichtstoename en schuldgevoel leidt. Emotie-eten is geen diagnose.

Emotie-etenEetbuistoornis
WatEten om gevoelens te dempenEetbuien: in korte tijd veel meer dan normaal, met controleverlies
Frequentie en ernstWisselend; lijdensdruk varieertMinstens 1× per week, 3 maanden, duidelijke lijdensdruk, ≥ 3 van 5 kenmerken
Wat doe jijBegeleiden: patronen herkennen, alternatieven, stimuluscontrole (les 39); bij een hoge NVE-score of psychische klachten verwijzen naar huisarts of psycholoogNiet zelf begeleiden bij afvallen; huisarts, ggz

Vraag bij emotie-eten altijd door naar eetbuien (controleverlies, hoeveelheden, schaamte) en naar stemming: depressie en obesitas versterken elkaar (les 29). Kun je het onderscheid niet maken, bespreek dan met de cliënt dat de huisarts meekijkt.

33.11 Begrippenlijst: Nederlandse en medische namen

Het examen vraagt van elk ziektebeeld de Nederlandse en de Latijnse benaming. In de praktijk zijn dat de medische termen, die uit het Latijn of Grieks zijn afgeleid. De examenbron is het geneeskundig woordenboek Pinkhof. De tabel gebruikt de termen zoals de NHG-Standaarden en de Zorgstandaard ze schrijven; controleer de precieze schrijfwijze bij twijfel in de Pinkhof.

Nederlandse naamMedische (Latijns-Griekse) naamKern
Stofwisselingssyndroommetabool syndroom≥ 3 van 5 risicofactoren (§ 33.2.3)
Hoge bloeddrukhypertensielangdurig te hoge bloeddruk
Verhoogd bloedcholesterolgehaltehypercholesterolemie (breder: dyslipidemie)te veel cholesterol in het bloed
Suikerziekte type 1 en 2diabetes mellitus type 1 en type 2te hoge bloedglucose
Te lage bloedsuikerhypoglykemieglucose < 3,9 mmol/l
Voedselallergievoedselallergie (IgE-gemedieerd of niet)reactie van het afweersysteem
Voedselintolerantieniet-allergische voedselovergevoeligheid, bijv. lactose-intolerantiegeen rol van het afweersysteem
Glutenziektecoeliakieauto-immuunreactie op gluten
Verstoppingobstipatie≥ 2 kenmerken, o.a. ≤ 2× per week
Dunne ontlastingdiarree≥ 3 dunne ontlastingen per dag
Magerzuchtanorexia nervosabeperkte inname, laag gewicht, angst om aan te komen
Eetbuien met compensatieboulimia nervosaeetbuien + compenseren
Eetbuistoornisbinge eating disorder (BED)eetbuien zonder compensatie
Obsessie met gezond etenorthorexia nervosageen officiële diagnose
Eetstoornis bij sportersanorexia athleticageen officiële diagnose; overlap met REDs
Emotie-eten(geen Latijnse term; Engels: emotional eating)eten als reactie op gevoelens

33.12 Omstreden punten eerlijk bekeken

33.12.1 'Orthorexia is een eetstoornis'

Wat klopt er: een obsessie met gezond eten kan leiden tot ondervoeding, sociaal isolement en grote lijdensdruk, en kan overgaan in anorexia. Wat niet klopt: orthorexia is (nog) geen officiële diagnose; de criteria zijn voorstellen, en het is lastig de grens te trekken met gewoon gezond willen eten. Bewijs voor een aparte stoornis: beperkt.

33.12.2 'Ik ben verslaafd aan suiker'

Wat klopt er: veel mensen ervaren een sterke drang naar zoet en vet eten, en eetgedrag kan verslavingsachtige kenmerken hebben. Wat niet klopt: een review van Westwater en collega's (2016) vond bij mensen geen overtuigend bewijs dat suiker zelf verslavend is zoals drugs; de dierstudies die vaak worden aangehaald, gaan over onderbroken toegang tot suiker. Strenge verboden kunnen eetbuien juist uitlokken. Bewijs voor suikerverslaving: beperkt.

33.12.3 'Iemand met een eetbuistoornis moet vooral afvallen'

Wat klopt er: veel mensen met een eetbuistoornis hebben obesitas, met de bijbehorende risico's. Wat niet klopt: een afvaltraject met lijnen kan de eetbuien versterken. Volgens de Zorgstandaard staat gewicht in de behandeling eerst niet centraal; daarna kan een diëtist of GLI volgen. Bewijs: matig (zorgstandaard, consensus).

33.12.4 'Een eetstoornis zie je aan iemand'

Wat klopt er: bij anorexia is het gewicht te laag. Wat niet klopt: bij boulimia, de eetbuistoornis en atypische anorexia is het gewicht normaal of hoog. De Zorgstandaard: 'denk ook bij een normaal lichaamsgewicht aan een mogelijke eetstoornis'. Bewijs: sterk.

33.13 Onderbouwd of niet? Een overzicht

BeweringOordeelBewijs
Metabool syndroom = ≥ 3 van 5 criteriaKlopt (NCEP-ATP-III, NHG)Richtlijn
Bij diabetes type 2 is één dieet het besteKlopt niet: geen voorkeur, energiebeperking teltMatig
Intermitterend vasten is veilig bij insulineKlopt niet: hypo-risicoRichtlijn
Een IgG-test toont voedselintolerantie aanKlopt niet (les 32)Sterk (ertegen)
Glutenvrij eten vóór de diagnose coeliakie is verstandigKlopt nietRichtlijn
1 op 3 hulpzoekers met obesitas heeft een eetbuistoornisVolgens de Zorgstandaard 2025Matig
Bij een eetbuistoornis staat gewicht eerst niet centraalKlopt (Zorgstandaard)Matig
Orthorexia en anorexia athletica zijn officiële diagnosesKlopt niet-
Suiker is verslavend zoals drugsNiet aangetoond bij mensenBeperkt
Coaches die afvallen aanmoedigen kunnen risicovol zijnGenoemd als risicofactor (Zorgstandaard)Matig

33.14 Je rol en je grenzen

SituatieWat doe je?
Medisch dieet nodig (diabetes type 1, diabetes met hypo-risico, coeliakie, nierziekte, darmziekte, ondervoeding, ernstige ziekte)Niet zelf begeleiden; diëtist in overleg met de huisarts of specialist
Hoge bloeddruk, verhoogd cholesterol, metabool syndroom, diabetes type 2 met alleen metformine, zonder dieetvoorschriftBegeleiden kan, met medeweten van de huisarts; geen bloedwaarden interpreteren, geen medicatieadvies
Gewichtsverhogende medicatieBespreken; cliënt overlegt met huisarts; nooit zelf stoppen
Klachten zonder diagnose (darmklachten, moeheid, veel dorst, onverklaard gewichtsverlies)Huisarts; geen producten laten weglaten
Vermoeden van een eetstoornis (SCOFF/ESP positief, eetbuien, compensatie, snel en extreem afvallen)Huisarts, samen met de cliënt; geen afvaltraject; niet wegen als dat klachten versterkt
Bijna niets eten of drinken, flauwvallen, suïcidale gedachtenDezelfde dag huisarts; bij suïcidale gedachten ook 113
Emotie-eten zonder eetbuienBegeleiden (les 39); bij hoge lijdensdruk of somberheid huisarts of psycholoog

33.15 Samenvatting

33.16 Oefenopgaven

Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.

1.Wat zijn de twee kernregels van de BGN over de grenzen van je vakgebied?

2.Noem de vijf criteria van het metabool syndroom. Welke kun jij zelf meten?

3.Leg het verschil uit tussen diabetes mellitus type 1 en type 2. Welke cliënt met diabetes kun je eventueel wel begeleiden, en onder welke voorwaarde?

4.Wat is een hypoglykemie? Bij welke medicijnen komt die vooral voor?

5.Wanneer spreek je volgens de NHG van obstipatie? Wat is de definitie van diarree?

6.Wat is het verschil tussen voedselallergie en voedselintolerantie? Geef van elk een voorbeeld.

7.Waarom mag iemand met vermoedelijke coeliakie niet alvast glutenvrij gaan eten?

8.Noem vijf groepen medicijnen die het gewicht kunnen verhogen. Wat zeg je tegen een cliënt die zijn antidepressivum de schuld geeft?

9.Beschrijf de kenmerken van anorexia nervosa, boulimia nervosa en de eetbuistoornis.

10.Wat is atypische anorexia, en waarom is het voor een gewichtsconsulent belangrijk?

11.Wat zegt de Zorgstandaard Eetstoornissen 2025 over gewicht in de behandeling van de eetbuistoornis?

12.Wat is anorexia athletica? Noem twee uitlokkende factoren volgens Sundgot-Borgen.

13.Wat is het verschil tussen emotie-eten en een eetbuistoornis?

14.Geef van vijf ziektebeelden uit de begrippenlijst de Nederlandse en de medische naam.

Tip

Maak een kaartje voor in je praktijkmap met de drie kolommen uit figuur 1: wie begeleid ik zelf, wie in overleg, wie verwijs ik. Zet er de spoedsignalen onderaan bij. Zo hoef je tijdens een intake niet te twijfelen.

33.17 Praktijkopgaven

Kies bij elke vraag het beste antwoord. De laatste opgaven zijn casussen zoals je ze in de praktijk tegenkomt.

1.Wat is de medische naam voor hoge bloeddruk?

a.Hypotensie

b.Hypertensie

c.Hypoglykemie

d.Hypercholesterolemie

2.Hoeveel van de vijf criteria zijn nodig voor het metabool syndroom (NCEP-ATP-III)?

a.Eén

b.Twee

c.Drie of meer

d.Alle vijf

3.Welke middelomtrek hoort bij het metabool syndroom bij een vrouw?

a.Meer dan 88 cm

b.Meer dan 70 cm

c.Meer dan 102 cm

d.Meer dan 120 cm

4.Welke bewering over diabetes mellitus type 1 klopt?

a.Het komt alleen door overgewicht

b.Het gaat over met afvallen

c.Je hebt nooit insuline nodig

d.Het is een auto-immuunziekte waarbij altijd insuline nodig is

5.Welk dieet heeft volgens de NHG de voorkeur bij diabetes type 2?

a.Een energiebeperkt voedingspatroon volgens de Richtlijnen goede voeding

b.Ketogeen

c.Intermitterend vasten

d.Paleo

6.Wanneer spreek je van obstipatie bij volwassenen (NHG)?

a.Bij één dag geen ontlasting

b.Bij buikpijn

c.Bij ten minste twee kenmerken, waaronder ontlasting twee keer per week of minder

d.Bij harde ontlasting na een feestje

7.Wat is een voedselintolerantie?

a.Een reactie van het afweersysteem

b.Een niet-allergische overgevoeligheid, bijvoorbeeld lactose-intolerantie

c.Een eetstoornis

d.Een vorm van coeliakie

8.Welk medicijn kan gewichtstoename geven?

a.Paracetamol

b.Vitamine C

c.Prednison bij langdurig gebruik

d.IJzertabletten

9.Wat is kenmerkend voor boulimia nervosa?

a.Eetbuien zonder compensatie

b.Altijd ondergewicht

c.Alleen bij mannen

d.Eetbuien én compensatiegedrag, gemiddeld minstens 1× per week gedurende 3 maanden

10.Wat onderscheidt de eetbuistoornis van boulimia nervosa?

a.Er is geen compensatiegedrag

b.Er zijn geen eetbuien

c.Het gewicht is altijd te laag

d.Het komt alleen bij kinderen voor

11.Welke BMI hoort bij zeer ernstige anorexia nervosa bij volwassenen?

a.Lager dan 18,5

b.Lager dan 15

c.Lager dan 17

d.Lager dan 20

12.Wat is waar over orthorexia nervosa?

a.Het is een officiële DSM-5-TR-diagnose

b.Het is altijd onschuldig

c.Het is een obsessie met gezond eten, maar geen officiële diagnose

d.Het komt alleen bij sporters voor

13.Casus. Linda (44, BMI 33) vertelt dat ze een paar keer per week 's avonds 'niet kan stoppen' met eten, zich daarna walgelijk voelt en het in haar eentje doet. Ze wil met een streng dieet beginnen. Wat doe je?

a.Je geeft haar een dieet van 1200 kcal.

b.Je bespreekt met haar dat dit kan wijzen op een eetbuistoornis, verwijst samen met haar naar de huisarts en start geen afvaltraject.

c.Je zegt dat ze meer wilskracht moet hebben.

d.Je adviseert alle suiker te schrappen.

14.Casus. Joost (55) heeft diabetes type 2 en gebruikt gliclazide (een sulfonylureumderivaat). Hij wil 16:8-vasten. Wat doe je?

a.Je raadt hem aan dit eerst met de huisarts of praktijkondersteuner te bespreken vanwege het risico op een hypo.

b.Je zegt dat het prima is.

c.Je adviseert de gliclazide te stoppen.

d.Je adviseert juist 24 uur te vasten.

15.Casus. Sara (19, turnster) is in vier maanden veel afgevallen, traint extra 'om lichter te zijn', menstrueert niet meer en zegt bang te zijn om aan te komen. Wat past het best?

a.Een afvalschema.

b.Meer eiwit adviseren en verder niets.

c.Wachten tot het seizoen voorbij is.

d.Signalen van anorexia athletica/eetstoornis en REDs: samen met haar contact met huisarts of sportarts.

16.Casus. Ahmed (37) heeft sinds kort veel dorst, plast veel en is moe. Hij wil afvallen. Wat doe je eerst?

a.Je start meteen met een koolhydraatarm dieet.

b.Je adviseert meer te drinken.

c.Je meet zijn bloedsuiker zelf en stelt de diagnose.

d.Je verwijst hem eerst naar de huisarts; deze klachten kunnen op diabetes wijzen.

Bronnen

Leesdiepte: [V] volledig gelezen, [S] samenvatting of betreffend hoofdstuk/passage gelezen, [Sec] via een secundaire bron.

BGN (2025). Servicedocument beschrijving leerresultaten BGN-gewichtsconsulent, versie 11 (vakkennis 5, vaardigheid 3) en TCI-bronnenlijst. [V]

Akwa GGZ (2025). Zorgstandaard Eetstoornissen. GGZ Standaarden, geautoriseerd 29-10-2025 (h1, h2, 3.1-3.5, 3.7.1, 4.1, 4.3, 4.7.1, 5.1-5.7, 5.10, 6.1, 7.1, 9.1.1, 9.1.9-9.1.15, 9.1.25). [V, deze hoofdstukken]

Gezondheidsraad (2022). Preventie en vroege behandeling van eetstoornissen. Publicatienr. 2022/12. [V, delen]

Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Obesitas (M95, 2025): oorzaken, medicatie (tabel h2), eetproblemen. [V]

Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (M01, laatste aanpassing februari 2026): kader metabool syndroom, diëten, hypoglykemie, LADA. [V, passages]

Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement: leefstijladviezen, begrippenlijst (dyslipidemie). [V, passages]

Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Obstipatie: definitie bij volwassenen. [V]

Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid en coeliakie: begrippen, lactose, coeliakie. [V]

Maastricht UMC+, Diëtetiek. Nutritional Assessment: pagina's Intake en verliezen (diarree) en Ondervoeding bij ziekte (definitie Stuurgroep Ondervoeding 2007), Vetvrije massa index. [V]

Sundgot-Borgen, J. (1993). Prevalence of eating disorders in elite female athletes. Int J Sport Nutr 3:29. [S]

Sundgot-Borgen, J. (1994). Risk and trigger factors for the development of eating disorders in female elite athletes. Med Sci Sports Exerc 26:414. [S]

Sudi, K. e.a. (2004). Anorexia athletica. Nutrition 20:657. [S]; criteria van Sundgot-Borgen via overzichtsbronnen. [Sec]

Herbrich, L. e.a. (2011). Anorexia athletica in pre-professional ballet dancers. J Sports Sci 29:1115. [S]

Dunn, T.M., Bratman, S. (2016). On orthorexia nervosa: a review of the literature and proposed diagnostic criteria. Eat Behav 21:11. [S]

Westwater, M.L., Fletcher, P.C., Ziauddeen, H. (2016). Sugar addiction: the state of the science. Eur J Nutr 55(Suppl 2):55 (zie les 4). [S]

Zelfstudie voedingsleer, les 2, 4, 5, 7, 12, 14, 22, 27, 29, 32, 34 en 39; zelfstudie hormonen, les 4, 5, 6, 7 en 11. [zie daar]

Bewust afgeweken van gangbare vereenvoudigingen: eetstoornissen volgens de DSM-5-TR en de Zorgstandaard 2025 (niet de oude zorgstandaard van 2017), met ARFID en OSFED; de eetbuistoornis niet als 'iets wat je met een dieet oplost' (gewicht eerst niet centraal); orthorexia en anorexia athletica uitdrukkelijk als niet-officiële begrippen, zonder harde afkapwaarden; obstipatie volgens de NHG (≤ 2× per week als één van twee kenmerken) in plaats van '< 3× per week'; hypoglykemie < 3,9 mmol/l (niet meer < 3,5); geen eigen Latijnse schrijfwijzen zonder woordenboek: de tabel geeft de medische termen uit de NHG-Standaarden.