Zelfstudie hormonen
Inhoudsopgave
2.3 Functies van hormonen in het lichaam
2.6 Hormonale balans en disbalans
Bronnen
Over dit materiaal
Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van open leerboeken en wetenschappelijke bronnen (zie Bronnen achteraan). Het is bedoeld om te leren en is geen vervanging voor medisch advies. Waar het bewijs voor een bewering sterk, beperkt of zwak is, staat dat erbij. Zo leer je onderscheid maken tussen wat vaststaat en wat vooral wordt beweerd.
In les 1 heb je gezien hoe het lichaam is opgebouwd en hoe zenuwstelsel en hormoonstelsel samenwerken. In deze les kijk je naar de boodschappers zelf: wat hormonen zijn, wat ze doen, uit welke bouwstoffen ze zijn gemaakt, hoe ze hun doel bereiken en wat er gebeurt als het systeem uit evenwicht raakt.
Wie later cliënten wil begeleiden, moet vooral begrijpen hoe het lichaam zélf de regie voert. Hormonen spelen daarin een hoofdrol, maar ze doen nooit iets alleen: ze werken samen met zenuwstelsel, afweer en spijsvertering, en ze worden beïnvloed door slaap, voeding, beweging, stress en leeftijd.
Na deze les kun je:
Hormonen zijn chemische boodschappers. Ze worden gemaakt door endocriene klieren en door hormoonproducerende cellen in andere organen, aan het bloed afgegeven, en werken op doelcellen die er een passende receptor voor hebben. Het woord komt van het Griekse hormao: 'in beweging zetten' of 'aandrijven'. Dat is wat hormonen doen: ze zetten processen in gang, houden ze gaande of remmen ze af.
Een hormoon past op zijn receptor als een sleutel op een slot. Alleen cellen met dat slot reageren. Let wel: dezelfde sleutel kan op meerdere sloten passen, en elk weefsel gebruikt het signaal voor iets anders. Adrenaline laat bijvoorbeeld het hart sneller kloppen, verwijdt de luchtwegen en remt de darmbeweging.
Hormonen zijn niet de enige chemische boodschappers. Het lichaam gebruikt chemische signalen op meerdere afstanden:
| Type | Hoe werkt het? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Endocrien (hormoon) | Een klier geeft de stof af aan het bloed. Werkt op doelcellen op afstand. | Insuline uit de alvleesklier werkt op spier-, lever- en vetcellen |
| Paracrien | De stof werkt op naburige cellen en bereikt het bloed nauwelijks. | Somatostatine uit de alvleesklier remt cellen in de directe omgeving |
| Autocrien | De stof werkt op dezelfde cel die haar maakt. | Sommige groeifactoren |
| Neurotransmitter | Een zenuwcel geeft de stof af in de synaps, naar één specifieke buurcel. | Noradrenaline of serotonine tussen zenuwcellen |
| Neuro-endocrien | Een zenuwcel geeft de stof aan het bloed af en gedraagt zich als klier. | ADH en oxytocine, gemaakt in de hypothalamus |
Sommige stoffen kunnen in meerdere rollen voorkomen. Adrenaline is bijvoorbeeld een hormoon (uit het bijniermerg) en tegelijk een neurotransmitter. Dat laat zien dat de grens tussen zenuwstelsel en hormoonstelsel vloeiend is.
Hormonen sturen bijna alle langzame en langdurige processen in het lichaam. De tabel geeft een overzicht van de belangrijkste functies, met de hormonen die daarbij vooral een rol spelen. Veel hormonen komen bij meerdere functies terug; geen enkele functie wordt door één hormoon alleen geregeld.
| Functie | Belangrijkste hormonen | Hoe het werkt, in het kort |
|---|---|---|
| Stofwisseling en energie | Schildklierhormoon (T3, T4), insuline, glucagon, cortisol, adrenaline | Bepalen hoe snel de cellen energie verbranden en of het lichaam energie opslaat of vrijmaakt |
| Opname en opslag van voedingsstoffen | Insuline, groeihormoon, cortisol | Insuline helpt cellen glucose opnemen en slaat overschot op als glycogeen en vet |
| Bloedsuiker | Insuline (verlaagt); glucagon, adrenaline, cortisol, groeihormoon (verhogen) | Houden de glucose in het bloed binnen veilige grenzen |
| Bloeddruk en vochtbalans | ADH, aldosteron, renine-angiotensine, adrenaline | Regelen hoeveel water en zout de nieren vasthouden en hoe vernauwd de bloedvaten zijn |
| Spijsvertering en eetlust | Gastrine, secretine, CCK; ghreline, leptine, GLP-1 | Sturen maagzuur, gal en enzymen aan en geven honger- en verzadigingssignalen |
| Voortplanting | GnRH, LH, FSH, oestrogeen, progesteron, testosteron, prolactine, oxytocine | Sturen cyclus, zaadproductie, zwangerschap, bevalling en borstvoeding |
| Seksuele functie en libido | Testosteron, oestrogeen, oxytocine | Beïnvloeden verlangen en reactie, samen met stress, relatie en slaap |
| Groei, ontwikkeling en herstel | Groeihormoon, IGF-1, schildklierhormoon, geslachtshormonen, insuline | Sturen groei van bot en weefsel in kindertijd en puberteit, en herstel bij volwassenen |
| Stemming en emoties | Cortisol, schildklierhormoon, geslachtshormonen, adrenaline | Beïnvloeden alertheid, spanning en stemming, samen met neurotransmitters |
| Slaap-waakritme | Melatonine, cortisol, groeihormoon | Melatonine stijgt 's avonds, cortisol 's ochtends; groeihormoon wordt vooral 's nachts afgegeven |
| Stressreactie | Adrenaline, noradrenaline (snel); cortisol (langzamer) | Maken energie vrij, verhogen hartslag en alertheid; na de stress herstelt het systeem |
| Hartslag | Adrenaline, schildklierhormoon | Verhogen de hartslag; ook vochtvolume (ADH, aldosteron) beïnvloedt het hart indirect |
| Afweer | Cortisol, geslachtshormonen, thymushormonen | Cortisol remt ontstekingen; geslachtshormonen beïnvloeden de afweer (vrouwen hebben vaker auto-immuunziekten) |
Bloedsuiker. De glucose in het bloed schommelt na een maaltijd, bij inspanning en 's nachts, maar blijft binnen smalle grenzen. Insuline verlaagt de bloedsuiker (opname in cellen, opslag in lever en vet). Glucagon, adrenaline, cortisol en groeihormoon verhogen hem juist. Dit evenwicht tussen 'verlagers' en 'verhogers' is een voorbeeld van tegengestelde hormonen die samen één waarde regelen (les 6).
Stress. Bij acute stress reageert eerst het zenuwstelsel, waarna het bijniermerg binnen seconden adrenaline afgeeft. Iets langzamer volgt de hormonale keten: de hypothalamus geeft CRH af, de hypofyse ACTH en de bijnierschors cortisol. Cortisol houdt de energievoorziening op gang en remt daarna via feedback de keten af. Dat werkt prima bij een kortdurende prikkel. Bij langdurige stress kan de regeling van het systeem veranderen; cortisol hoeft daarbij niet voortdurend verhoogd te zijn. Dat kan samengaan met veranderingen in slaap, bloedsuiker, cyclus en afweer (les 7).
Bloeddruk en vocht. Wanneer het bloed te geconcentreerd wordt, registreert de hypothalamus dat en komt er meer ADH vrij: de nieren houden water vast. Bij een te laag zout- of bloedvolume geven de nieren renine af, waarna via angiotensine het hormoon aldosteron vrijkomt, dat de nieren zout (en daarmee water) laat vasthouden. Alcohol remt ADH: daarom plas je meer na alcohol.
Slaap en dagritme. De biologische klok in de hypothalamus stuurt de pijnappelklier (melatonine) en de bijnierschors (cortisol) aan, met licht als belangrijkste signaal. Dat levert een vast dagritme op (zie figuur 1).
Hormonen kunnen op meerdere manieren worden ingedeeld. De meest gebruikte indeling is op basis van hun chemische bouw. Die bepaalt grotendeels hoe een hormoon wordt gemaakt, vervoerd en hoe het werkt. Er zijn drie hoofdgroepen:
Aminehormonen zijn aminozuurderivaten: tyrosine is de grondstof voor adrenaline, noradrenaline, T3 en T4; tryptofaan voor melatonine. T3 en T4 ontstaan door koppeling van twee gejodeerde tyrosineresten. Ze komen snel tot werking (adrenaline) of juist langzaam (schildklierhormoon). Het bekendste voorbeeld is adrenaline.
Peptidehormonen bestaan uit ketens van aminozuren. Korte ketens heten peptiden, lange ketens eiwitten. Dit is de grootste groep. Voorbeelden zijn insuline, glucagon, ADH, oxytocine, TSH, LH, FSH, groeihormoon, parathormoon en leptine. Ze worden in blaasjes opgeslagen en kunnen daardoor snel worden afgegeven wanneer de cel het signaal krijgt.
Steroïdhormonen worden gemaakt uit cholesterol: cortisol, aldosteron, oestrogeen, progesteron en testosteron. Ook vitamine D wordt in het lichaam omgezet tot een steroïdachtig hormoon. Cholesterol is dus niet alleen een risicofactor, maar ook een grondstof. Steroïdhormonen zijn vetoplosbaar en worden niet opgeslagen: de cel maakt ze op bestelling wanneer het signaal komt.
| Eigenschap | Aminehormonen | Peptide- en eiwithormonen | Steroïdhormonen |
|---|---|---|---|
| Bouwstof | Aminozuurderivaten (tyrosine of tryptofaan) | Ketens van aminozuren | Cholesterol |
| Voorbeelden | Adrenaline, noradrenaline, T3 en T4, melatonine | Insuline, glucagon, ADH, oxytocine, TSH, LH, FSH, groeihormoon, leptine | Cortisol, aldosteron, oestrogeen, progesteron, testosteron |
| Oplosbaarheid | Adrenaline: water. Schildklierhormoon: slecht in water | Goed in water | Slecht in water (vetoplosbaar) |
| Opslag | Adrenaline in blaasjes; schildklierhormoon als voorraad in de schildklier | In blaasjes, direct afgifte mogelijk | Niet opgeslagen, op bestelling gemaakt |
| Transport in bloed | Adrenaline vrijwel vrij; schildklierhormoon gebonden aan eiwit | Vrij opgelost | Gebonden aan transporteiwitten |
| Receptor | Adrenaline: celmembraan. Schildklierhormoon: in de cel | Celmembraan | In de cel |
| Snelheid en duur | Adrenaline: seconden, kort (halfwaardetijd ongeveer 1 minuut). T3/T4: langzaam, dagen | Snel, kort (meestal minuten) | Langzamer (uren), langer (cortisol: 60 tot 90 minuten) |
Naast deze drie groepen zijn er nog lokale signaalstoffen zoals de prostaglandines (afgeleid van vetzuren). Die werken vooral dicht bij hun plaats van afgifte en horen daarom meestal niet bij de klassieke hormonen.
Waarom deze indeling ertoe doet
Of een hormoon wateroplosbaar of vetoplosbaar is, bepaalt hoe het wordt vervoerd, waar de receptor zit en hoe snel en hoe lang het werkt. Wie dit principe snapt, hoeft niet elk hormoon apart uit het hoofd te leren.
Een hormoon doorloopt een vaste reis: het wordt aangemaakt, geregeld, vervoerd, opgevangen door een doelcel en uiteindelijk afgebroken. Wat er op elk punt kan wisselen, verklaart veel verschillen tussen mensen.
Een klier maakt niet continu evenveel hormoon. Wat de afgifte aanstuurt, kun je in drie groepen delen:
Daarna regelt feedback de hoeveelheid. Meestal is dat negatieve feedback: het eindresultaat remt de aanmaak. Een enkele keer is het positieve feedback (de LH-piek voor de eisprong, oxytocine bij de bevalling).
Veel hormonen worden niet constant, maar in een patroon afgegeven. Dat is de reden waarom een enkele meting maar een momentopname is:
Let op bij hormoontesten
Omdat hormonen schommelen, is het tijdstip van meten belangrijk (cortisol bijvoorbeeld 's ochtends) en vaak ook de cyclusdag. De kwaliteit en de interpretatie van commerciële thuis- en speekseltesten verschillen sterk. Laat afwijkende uitslagen of aanhoudende klachten door de huisarts beoordelen.
Hormonen reizen via het bloed. Hoe ze dat doen, hangt af van de oplosbaarheid:
Alleen het vrije hormoon kan een cel in of aan een receptor binden. Het gebonden deel is een soort voorraad in het bloed, die in evenwicht is met het vrije deel (figuur 2). Gebonden hormoon wordt ook langzamer afgebroken en blijft daardoor langer in omloop.
Dit heeft praktische gevolgen. Een bloedtest meet vaak het totale hormoon (vrij plus gebonden). Verandert de hoeveelheid transporteiwit, dan kan het totaal anders lijken dan het werkzame, vrije deel. Oestrogeen (bijvoorbeeld in de pil of tijdens een zwangerschap) kan transporteiwitten verhogen. Daardoor kan het totale cortisol stijgen door meer CBG; bij testosteron verhoogt de pil vooral SHBG en daalt meestal juist het vrije testosteron. De kern is: totaalwaarden en vrije waarden betekenen niet altijd hetzelfde.
De snelheid van afbraak wordt uitgedrukt in de halfwaardetijd: de tijd waarin de helft van het hormoon is afgebroken. Adrenaline heeft een halfwaardetijd van ongeveer een minuut. Cortisol van ongeveer 60 tot 90 minuten. De halfwaardetijd van T3 is ongeveer één dag en die van T4 ongeveer een week. Daarom werkt adrenaline kort en krachtig, en verandert de schildklierfunctie traag.
Eenmaal bij de doelcel moet het hormoon worden opgevangen door een receptor. Waar die receptor zit, bepaalt hoe het signaal de cel in komt (figuur 3).
Het effect hangt niet alleen af van hoeveel hormoon er is, maar ook van hoeveel receptoren er zijn en hoe gevoelig ze zijn. Bij langdurig te veel hormoon kan een cel haar receptoren verminderen (down-regulatie), zodat het signaal minder doorkomt. Raakt een cel minder gevoelig voor het signaal, dan spreken we van hormoonresistentie. Het bekendste voorbeeld is insulineresistentie: spier-, lever- en vetcellen reageren minder goed op insuline, waardoor de alvleesklier meer insuline moet maken om dezelfde bloedsuiker te bereiken. In les 6 leer je hier meer over.
Een hormoon moet ook weer verdwijnen, anders blijft het signaal staan. Afbraak gebeurt op meerdere plaatsen: in de doelcel zelf (de receptor met hormoon wordt in de cel opgenomen en afgebroken), in de lever (vooral steroïden, die daar worden omgezet tot wateroplosbare stoffen) en in de nieren. De afbraakproducten worden uitgescheiden via urine en gal. Is de lever ernstig ziek, dan kunnen daarom ook hormoonspiegels veranderen.
Dat uitscheiden is ook de basis van veel hormoontesten: een zwangerschapstest meet het hormoon hCG in urine. Ook een deel van de cortisol- en geslachtshormoontesten werkt via urine of speeksel.
'Hormonale balans' is een veelgebruikte term, maar hij is vaag. Het betekent niet dat hormoonspiegels altijd gelijk zijn: ze schommelen per uur, per dag en per cyclus. Het betekent dat het lichaam per situatie de juiste hoeveelheid kan maken, dat de regelkringen werken en dat de doelcellen goed reageren.
Wat 'normaal' is, wordt uitgedrukt in een referentiebereik: het gebied waarin ongeveer 95 procent van een gezonde groep valt. Een waarde net buiten het bereik is niet automatisch een ziekte, en een waarde binnen het bereik sluit niet uit dat iemand klachten heeft.
In de geneeskunde spreekt men liever van concrete stoornissen dan van 'disbalans'. Vier typen kom je steeds tegen:
| Type stoornis | Wat gebeurt er? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Te veel hormoon | Een klier maakt te veel | Overactieve schildklier (hyperthyreoïdie) |
| Te weinig hormoon | Een klier maakt te weinig | Onderactieve schildklier (hypothyreoïdie); type 1 diabetes |
| Resistentie | Er is genoeg hormoon, maar de cel reageert onvoldoende | Insulineresistentie bij type 2 diabetes |
| Verstoorde regeling | De sturing van hoger af (hypothalamus, hypofyse) werkt niet goed | Hypothalame amenorroe door een groot energietekort of intensieve training bij te weinig eten |
Veel factoren beïnvloeden hormonen. Niet alles wat op internet wordt beweerd, is even goed onderbouwd. Daarom staat bij elke factor ook hoe sterk het bewijs is.
| Factor | Wat kan er gebeuren? | Bewijs |
|---|---|---|
| Langdurige stress | De regeling van de stresshormoon-as (CRH, ACTH, cortisol) kan veranderen, zonder dat cortisol altijd verhoogd is. Stress kan slaap, bloedsuiker, cyclus en stemming beïnvloeden. | Goed voor effecten op slaap en cyclus; omvang verschilt per persoon |
| Slaaptekort | Slaaptekort kan eetlust vergroten en insulinegevoeligheid verminderen. Sommige studies vonden lagere leptine, hogere ghreline of hoger avondcortisol; vooral de leptine- en ghreline-uitkomsten wisselen. Zie het kader hieronder. | Sterk voor kortdurende effecten op insulinegevoeligheid; beperkt en wisselend voor leptine/ghreline en individuele langetermijneffecten |
| Voeding | Een groot energietekort of extreem diëten kan de voortplantingsas onderdrukken (uitblijvende menstruatie). Overgewicht en veel buikvet gaan samen met insulineresistentie. Jodiumtekort kan de schildklier belasten. | Sterk voor energietekort, overgewicht en jodium; bewijs voor 'één maaltijd veroorzaakt een disbalans' ontbreekt |
| Beweging | Regelmatige beweging verbetert de insulinegevoeligheid. Heel veel training met te weinig eten kan de cyclus verstoren. | Sterk |
| Leeftijd en levensfase | Puberteit, zwangerschap en menopauze veranderen de hormonen ingrijpend. Dat is normaal en geen disbalans. Testosteron daalt bij mannen geleidelijk; 'andropauze' is geen scherp omschreven term. | Sterk |
| Medische aandoeningen | Diabetes, schildklierziekten, PCOS (ongeveer 1 op de 10 vrouwen in de vruchtbare leeftijd, afhankelijk van de gebruikte diagnosecriteria), bijnier- of hypofyseziekten. | Sterk, vaststellen en behandelen door een arts |
| Alcohol | Remt ADH, en kan cortisol, geslachtshormonen en bloedsuiker beïnvloeden, zeker bij overmatig gebruik. | Redelijk tot goed |
| Medicijnen | Combinatiepillen onderdrukken de eisprong; niet elke hormonale anticonceptiemethode doet dat bij iedere gebruiker. Corticosteroïden (zoals prednison) remmen de eigen cortisolaanmaak. Sommige psychofarmaca verhogen prolactine. | Sterk. Nooit zelf stoppen; overleg met arts of apotheker |
| Hormoonverstorende stoffen | Stoffen die hormoonaanmaak, -afbraak of -werking kunnen verstoren (zie kader). | Sterk voor mechanismen en dierstudies; menselijke risico's hangen af van stof, dosis en moment |
Kader: slaaptekort en eetlust
In gecontroleerde experimenten met gezonde jonge mannen zorgde twee nachten van vier uur in bed (in plaats van tien) voor lagere leptine, hogere ghreline en meer honger, vooral naar koolhydraatrijk en calorierijk eten. Slaaptekort van vijf tot zes uur per nacht gedurende een tot twee weken verminderde de insulinegevoeligheid. De proefpersonen waren weinig in aantal en jong, en de studies kort. Een meta-analyse van gecontroleerde studies vond wel effecten op insulinegevoeligheid en voedselinname, maar geen overtuigend gemiddeld effect op leptine of ghreline. De hormoonuitkomsten zijn dus niet consistent. Een precieze uitspraak over gewichtstoename bij elk individu is niet te doen.
Kader: hormonale anticonceptie en gewicht
De combinatiepil bevat een oestrogeen en een progestageen en onderdrukt de eisprong. Het is dus een ingreep in het hormoonsysteem, geen 'disbalans' op zichzelf. Een Cochrane-review van tientallen onderzoeken vond geen aanwijzingen voor een groot effect van combinatiepillen of pleisters op het lichaamsgewicht, al is het bewijs niet sterk genoeg om een klein effect uit te sluiten. Bijwerkingen en klachten verschillen per vrouw en per middel. Bespreek twijfels met huisarts of apotheker en stop niet op eigen gelegenheid.
Kader: hormoonverstorende stoffen (EDC's)
Endocrine-disrupting chemicals zijn stoffen die hormoonaanmaak, -afbraak of -werking verstoren. Voorbeelden die goed zijn onderzocht: bisfenol A (BPA), ftalaten, bepaalde bestrijdingsmiddelen en industriële stoffen zoals PCB's. De Endocrine Society ziet sterke aanwijzingen uit mechanistisch, dier- en bevolkingsonderzoek voor effecten op onder meer obesitas en diabetes, mannelijke en vrouwelijke voortplanting, hormoongevoelige kanker, schildklier en hersenontwikkeling. Kenmerkend zijn de gevoelige perioden (vooral in de ontwikkeling) en effecten bij lage doses. Blootstelling beperken is een redelijke keuze. Claims dat een 'detox' hormonen herstelt, zijn niet onderbouwd: lever en nieren ontgiften het lichaam al.
Kader: bijnieruitputting bestaat niet als diagnose
'Adrenal fatigue' (bijnieruitputting) wordt vaak genoemd als gevolg van langdurige stress. De Endocrine Society erkent het niet als medische aandoening, en een systematische review van 58 studies vond geen onderbouwing. Echte aandoeningen van de bijnier bestaan wél, zoals bijnierschorsinsufficiëntie (ziekte van Addison) en een overmaat aan cortisol (syndroom van Cushing). Moeheid bij stress heeft meestal andere oorzaken: slaaptekort, overbelasting, somberheid of lichamelijke ziekte. Laat aanhoudende moeheid medisch uitzoeken.
Klachten bij hormonale stoornissen zijn vaak aspecifiek: ze passen bij veel verschillende oorzaken. Daarom is het belangrijk om niet meteen 'hormonen' als verklaring aan te wijzen. De tabel laat per klacht mogelijke hormonale en andere oorzaken zien. Niet elke genoemde oorzaak komt even vaak voor; de tabel is geen diagnosehulp.
| Klacht | Mogelijke hormonale oorzaken | Andere veelvoorkomende oorzaken |
|---|---|---|
| Vermoeidheid en slaapproblemen | Schildklierziekten, diabetes, cortisolstoornissen, overgang | Slaaptekort, ijzertekort, bloedarmoede, somberheid, overbelasting, medicijnen |
| Gewichtsverandering | Schildklierziekten, insulineresistentie, overmaat cortisol | Voeding, beweging, slaap, stress, medicijnen |
| Stemmingsklachten en prikkelbaarheid | Schildklier, cyclusschommelingen, overgang, na de bevalling | Depressie, angststoornis, belastende gebeurtenissen |
| Huid- en haarproblemen | Teveel androgenen (zoals bij PCOS), schildklierziekten | Erfelijke aanleg, ijzer- en eiwittekort, stress, huidverzorging |
| Onregelmatige of uitblijvende menstruatie | PCOS, schildklier, prolactine, groot energietekort, perimenopauze | Zwangerschap, medicijnen, intensieve training, ziekte |
| Verminderd libido | Laag testosteron of oestrogeen, schildklier | Relatie, stress, vermoeidheid, medicijnen |
| Hartkloppingen en warmte-intolerantie | Overactieve schildklier, overgang | Angst, cafeïne, koorts, bloedarmoede, hartritmestoornissen |
| Vaker ziek, trage genezing | Overmaat cortisol, diabetes | Slaaptekort, stress, voeding, onderliggende ziekte |
Een goede en tijdige herkenning is belangrijk, want veranderingen in leefstijl, voeding en beweging kunnen helpen, en een medische behandeling kan nodig zijn. Zelf diagnoses stellen is niet de bedoeling.
Als (aankomend) gewichtsconsulent of coach kun je hormonen goed uitleggen en leefstijlfactoren helpen verbeteren: slaap, stress, voeding, beweging. Je stelt geen diagnoses, je schrijft geen medicijnen of hormoonpreparaten voor en je raadt niet aan om medicatie te stoppen. Daar is de huisarts voor, die onder andere bloed kan laten prikken (bijvoorbeeld schildklier en bloedsuiker).
Verwijs door naar de huisarts bij onder andere:
Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.
1.Wat zijn hormonen en wat betekent het woord 'hormoon'?
2.Noem vier kenmerken van hormonen.
3.Wat is het verschil tussen endocriene, paracriene en autocriene signalering en neurotransmitters? Wat is neuro-endocriene signalering? Geef een voorbeeld.
4.Noem vijf lichaamsfuncties die door hormonen worden beïnvloed en geef bij elk een voorbeeldhormoon.
5.Hoe werken insuline en glucagon samen? Noem daarnaast twee andere hormonen die de bloedsuiker verhogen.
6.Noem de drie chemische typen hormonen, met bouwstof en twee voorbeelden per type.
7.Welke hormonen worden niet opgeslagen en op bestelling gemaakt? Waarom is dat relevant?
8.Op welke drie manieren kan de afgifte van een hormoon worden aangestuurd? Geef een voorbeeld bij elke manier.
9.Noem drie soorten ritmes in hormoonafgifte, met een voorbeeld. Waarom is één bloedmeting een momentopname?
10.Waarom hebben steroïdhormonen transporteiwitten nodig? Wat is het verschil tussen vrij en gebonden hormoon?
11.Waarom kan het totale hormoongehalte in een bloedtest misleidend zijn? Geef een voorbeeld.
12.Wat is een halfwaardetijd? Geef twee voorbeelden met een groot verschil en leg uit wat dat praktisch betekent.
13.Beschrijf in stappen hoe een wateroplosbaar hormoon een doelcel beïnvloedt.
14.Beschrijf hoe een steroïdhormoon een doelcel beïnvloedt. Waarom duurt dat langer?
15.Wat is versterking (amplificatie) bij tweede boodschappers?
16.Hoe kan één hormoon in verschillende weefsels verschillende effecten hebben? Noem adrenaline als voorbeeld.
17.Wat is down-regulatie van receptoren en wat is insulineresistentie?
18.Waar worden hormonen afgebroken en hoe worden ze uitgescheiden? Waarom is afbraak belangrijk?
19.Wat betekent hormonale balans en wat betekent het niet? Wat is een referentiebereik?
20.Noem vier typen hormonale stoornissen en geef een voorbeeld bij elk.
21.Noem vijf factoren die hormonen kunnen beïnvloeden en geef per factor aan hoe sterk het bewijs is.
22.Wat is er bekend over slaaptekort en de hormonen leptine, ghreline en cortisol? Noem ook een beperking van het onderzoek.
23.Wat zijn hormoonverstorende stoffen? Wat is wel en wat is niet onderbouwd?
24.Wat is 'bijnieruitputting' volgens de wetenschap? Welke echte bijnieraandoeningen bestaan er wel?
25.Noem vier situaties waarin je als coach doorverwijst naar de huisarts, en leg uit waarom je geen diagnose stelt.
Tip
Maak als extra oefening een samenvatting van deze les in je eigen woorden, bijvoorbeeld als schema met de drie hormoontypen naast elkaar.
Kies bij elke vraag het beste antwoord. Deze opgaven oefenen hoe je de lesstof toepast, zoals je dat later in een gesprek met een cliënt zou doen.
1.Een cliënt slaapt al twee weken ongeveer vijf uur per nacht en heeft overdag veel trek in zoet en vet. Welke verklaring past het best bij wat onderzoek laat zien?
a.Slaaptekort verhoogt leptine, waardoor je meer honger krijgt.
b.Trek in zoet komt alleen door gebrek aan wilskracht; hormonen spelen geen rol.
c.Slaaptekort kan eetlust en insulinegevoeligheid beïnvloeden; sommige kleine studies vonden lagere leptine en hogere ghreline, maar die hormoonveranderingen zijn niet in elk onderzoek teruggevonden.
d.Slaaptekort stopt de aanmaak van cortisol.
2.Welke omschrijving hoort bij steroïdhormonen?
a.Gemaakt uit cholesterol, vervoerd gebonden aan transporteiwitten, met een receptor in de cel.
b.Gemaakt uit één aminozuur, vervoerd vrij in het bloed, met een receptor op het membraan.
c.Ketens van aminozuren, opgeslagen in blaasjes, met een receptor op het membraan.
d.Gemaakt uit glucose en opgeslagen in de lever.
3.Bij iemand die de pil gebruikt, is het totale cortisol in het bloed hoog, terwijl het vrije cortisol normaal lijkt. Wat is de meest waarschijnlijke verklaring?
a.De pil maakt rechtstreeks extra cortisol in de bijnier.
b.Cortisol is een peptidehormoon dat zich niet kan binden.
c.De test meet alleen het gebonden deel van cortisol.
d.Oestrogeen uit de pil verhoogt het cortisolbindend eiwit (CBG), waardoor het totale cortisol stijgt zonder dat het vrije, werkzame deel stijgt.
4.Welk hormoon wordt vooraf in blaasjes opgeslagen en kan daardoor snel worden afgegeven?
a.Cortisol
b.Insuline
c.Oestrogeen
d.Testosteron
5.Na jaren overgewicht en weinig beweging maakt de alvleesklier meer insuline nodig om dezelfde bloedsuiker te bereiken, omdat cellen minder reageren. Welke term past?
a.Positieve feedback.
b.Een hormoonoverschot door een gezwel in de hypofyse.
c.Insulineresistentie: de cellen reageren minder goed op insuline.
d.Een tekort aan receptoren op de alvleesklier.
6.Waarom werkt adrenaline kort en schildklierhormoon langdurig?
a.Adrenaline wordt snel afgebroken (halfwaardetijd ongeveer een minuut); schildklierhormoon is gebonden aan transporteiwitten en blijft dagen aanwezig.
b.Adrenaline is een steroïd en schildklierhormoon een peptide.
c.Schildklierhormoon wordt niet afgebroken.
d.Adrenaline wordt alleen door de lever uitgescheiden.
7.Wat is het belangrijkste verschil in werking tussen een peptidehormoon en een steroïdhormoon?
a.Een peptidehormoon werkt altijd via de kern, een steroïd altijd via het membraan.
b.Steroïden werken altijd sneller dan peptidehormonen.
c.Een peptidehormoon werkt via een receptor op het membraan en een intracellulaire signaalroute (vaak snel). Een steroïd bindt meestal aan een receptor in de cel en beïnvloedt genen (vaak langzamer, langer).
d.Er is geen verschil in werking.
8.Welke uitspraak over 'bijnieruitputting' (adrenal fatigue) klopt?
a.Het is een erkende diagnose bij langdurige stress.
b.Het is niet erkend als medische diagnose. Moeheid heeft meerdere mogelijke oorzaken, en echte bijnieraandoeningen (zoals de ziekte van Addison) bestaan wel.
c.Het kan betrouwbaar met een speekseltest worden vastgesteld.
d.Het wordt veroorzaakt door te veel koffie.
9.Een cliënte (24) gebruikt de pil en vraagt of dat een 'hormonale disbalans' veroorzaakt en of ze daardoor aankomt. Wat is de beste reactie?
a.Zeggen dat de pil altijd gewichtstoename veroorzaakt.
b.Haar adviseren direct met de pil te stoppen.
c.Zeggen dat de pil alleen op de baarmoeder werkt.
d.Uitleggen dat de pil de eisprong onderdrukt, dat onderzoek geen groot gewichtseffect heeft gevonden (hoewel het bewijs beperkt is), en haar adviseren twijfels met huisarts of apotheker te bespreken zonder zelf te stoppen.
10.Lotte (29) is in de week voor haar menstruatie prikkelbaar, heeft trek in zoet en voelt zich opgeblazen. Zodra de menstruatie begint, zakt dat weg. Wat is de beste uitleg?
a.Te weinig cortisol gedurende de hele cyclus.
b.Een ernstig tekort aan schildklierhormoon.
c.Normale schommelingen van oestrogeen en progesteron in de tweede cyclushelft, waarop sommige vrouwen gevoeliger reageren dan andere.
d.Een gezwel in de hypofyse.
11.Waarom is de afbraak van een hormoon net zo belangrijk als de aanmaak?
a.Alleen aanmaak bepaalt de hormoonspiegel.
b.Afbraak helpt bepalen hoe lang het effect duurt en voorkomt dat een signaal blijft staan.
c.Afbraak maakt het hormoon sterker.
d.Afbraak is alleen belangrijk bij steroïden.
12.Marloes (42) heeft sinds enkele maanden een onregelmatige cyclus, slaapt slecht en voelt zich gespannen. Wat is de beste aanpak voor een coach?
a.Zeggen dat ze zeker in de overgang zit en haar hormoonpreparaten adviseren.
b.Zeggen dat het alleen stress is en verder niets doen.
c.Haar adviseren te stoppen met haar medicatie.
d.Leefstijl bespreken (slaap, stress, voeding, beweging) én adviseren dit met de huisarts te bespreken, omdat een onregelmatige cyclus meerdere oorzaken kan hebben, zoals de overgangsfase of een schildklieraandoening.
13.Welke uitspraak over hormoonverstorende stoffen (EDC's) is het best onderbouwd?
a.Alle kunststoffen verstoren hormonen op dezelfde manier.
b.Sommige stoffen, zoals BPA en ftalaten, kunnen hormoonwerking beïnvloeden; het risico hangt af van stof, dosis en moment van blootstelling en wordt verder onderzocht.
c.Een 'detox'-kuur herstelt aantoonbaar de hormoonhuishouding.
d.Hormoonverstorende stoffen bestaan alleen in dierstudies.
14.Welke volgorde beschrijft een cAMP-signaalroute van een wateroplosbaar hormoon, zoals glucagon?
a.Het hormoon bindt aan een receptor op het membraan, die een tweede boodschapper (zoals cAMP) activeert, waarna enzymen in de cel actief worden.
b.Het hormoon steekt het membraan over en zet direct genen aan.
c.Het hormoon bindt aan transporteiwit in de cel en wordt daar opgeslagen.
d.Het hormoon wordt eerst in de lever omgezet en bindt dan aan DNA.
15.Tom (37) is na een lunch met wit brood en zoet beleg slaperig en voelt zich wat trillerig. Wat is een voorzichtige, logische verklaring?
a.Een snelle stijging van de bloedsuiker gevolgd door insuline-afgifte en een daling kan meespelen, maar slaap, maaltijdgrootte en cafeïne spelen ook een rol. Bij hevige of aanhoudende klachten hoort de huisarts.
b.Zijn schildklier maakt na de lunch te veel adrenaline.
c.Dit bewijst dat hij insulineresistent is.
d.Het zijn zeker de hormonen; andere oorzaken zijn onwaarschijnlijk.
De inhoud van deze les is gebaseerd op onderstaande bronnen. [V] = volledig gelezen; [S] = relevante hoofdstukken, passages of samenvatting gelezen; [Sec] = secundair gebruikt.
[S] OpenStax (2022). Anatomy and Physiology 2e, hoofdstuk 15, 17, 23, 25 en 27: endocriene fysiologie en samenwerking met andere organen.
[S] NCBI Bookshelf: Principles of endocrinology; StatPearls: Physiology, Cellular Messengers; Physiology, Vasopressin; Physiology, Cortisol; Premenstrual Syndrome; Endotext: The Insulin Receptor and Its Signal Transduction Network; Stress: Endocrine Physiology and Pathophysiology; Pharmacological Causes of Hyperprolactinemia.
[S] NCBI Bookshelf: Pharmacokinetics of Corticosteroids en Administration and Pharmacokinetics of Levothyroxine: halfwaardetijden; Endotext: Thyroid Hormone Synthesis and Secretion; Non-Diabetic Hypoglycemia.
[S] Endocrine Society (2017). Functional Hypothalamic Amenorrhea: Clinical Practice Guideline.
[S] Endocrine Society (2015). EDC-2: The Endocrine Society's Second Scientific Statement on Endocrine-Disrupting Chemicals.
[S] Spiegel et al. (2004) en Leproult & Van Cauter (2010): slaaptekort, leptine, ghreline, cortisol en glucosemetabolisme.
[S] Zhu et al. (2019). Effects of sleep restriction on metabolism-related parameters in healthy adults: meta-analyse van gerandomiseerde studies; Morris et al. (2012). Circadian System, Sleep and Endocrinology.
[S] Gallo et al. (2014). Combination contraceptives: effects on weight. Cochrane Database of Systematic Reviews.
[S] Zimmerman et al. (2014). The effect of combined oral contraception on testosterone levels in healthy women; The effect of hormonal contraceptive therapy on clinical laboratory parameters (2023): SHBG/CBG en totaal versus vrij hormoon.
[S] Cadegiani & Kater (2016). Adrenal fatigue does not exist: a systematic review; Endocrine Society-patiënteninformatie over adrenal fatigue en adrenal insufficiency.
[S] Thuisarts (NHG): schildklierproblemen, diabetes type 2, amenorroe, overgang, bloedverlies na de menopauze en hulp bij gedachten aan zelfdoding; Voedingscentrum: Jodium.
[S] Bozdag et al. (2016): PCOS-prevalentie; Conn et al. (2014): beweging en insulinegevoeligheid; Rachdaoui & Sarkar (2017): alcohol en het endocriene systeem; Mechanisms underlying sex differences in autoimmunity (2024).
[S] Ozarda (2016). Reference intervals: current status, recent developments and future considerations.