Zelfstudie hormonen
Inhoudsopgave
3.2 Het hormoonstelsel op een rij
3.5 De bijschildklieren en de calciumhuishouding
3.7 Hormonen uit andere organen
3.8 Onderbouwd of niet? Een overzicht
Bronnen
Over dit materiaal
Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van open leerboeken en wetenschappelijke bronnen (zie Bronnen achteraan). Het is bedoeld om te leren en is geen vervanging voor medisch advies. Waar het bewijs voor een bewering sterk, beperkt of zwak is, staat dat erbij. Voedingsnormen (zoals die voor vitamine D en calcium) worden af en toe herzien: controleer de actuele adviezen bij het Voedingscentrum of de Gezondheidsraad.
In les 1 zag je hoe het lichaam in elkaar zit en in les 2 wat hormonen zijn en hoe ze werken. In deze les maak je kennis met de klieren zelf: waar zitten ze, wat maken ze en wie stuurt wie aan? Je begint met een overzicht van het hele hormoonstelsel. Daarna werk je twee onderdelen helemaal uit: de hypothalamus en de hypofyse (de ‘regiekamer’ van het hormoonstelsel) en de bijschildklieren (die het calcium in je bloed op peil houden).
De overige klieren krijgen een eigen les: de schildklier (les 4), de alvleesklier (les 6), de bijnieren (les 7), de pijnappelklier (les 9), de eierstokken (les 11) en de testikels (les 12). Hier komen ze alleen kort aan bod, zodat je ze op de juiste plek in het geheel kunt zetten.
Na deze les kun je:
Het hormoonstelsel heeft geen vast ‘adres’ zoals het hart of de longen. De klieren liggen verspreid door het lichaam en zijn alleen met elkaar verbonden via het bloed en via zenuwen. Figuur 1 laat zien waar de belangrijkste klieren zitten, de tabel geeft per klier de ligging en de belangrijkste hormonen.
| Klier | Ligging | Belangrijkste hormonen | Waar |
|---|---|---|---|
| Hypothalamus | onderkant van de hersenen, boven de hypofyse | TRH, CRH, GnRH, GHRH, somatostatine, dopamine; maakt ook ADH en oxytocine | § 3.3 |
| Hypofyse | onder de hypothalamus, in het ‘Turks zadel’ van het wiggebeen | voorkwab: TSH, ACTH, LH, FSH, groeihormoon, prolactine; achterkwab: geeft ADH en oxytocine af | § 3.4 |
| Pijnappelklier | diep in het midden van de hersenen | melatonine | § 3.6, les 9 |
| Schildklier | voorkant van de hals | T4, T3, calcitonine | les 4 |
| Bijschildklieren | achterkant van de schildklier, meestal vier | parathormoon (PTH) | § 3.5 |
| Thymus | achter het borstbeen | thymushormonen (thymosines) | § 3.6, les 15 |
| Bijnieren | bovenop de nieren | schors: cortisol, aldosteron, androgenen; merg: adrenaline, noradrenaline | les 7 |
| Alvleesklier | achter de maag (eilandjes van Langerhans) | insuline, glucagon, somatostatine | les 6 |
| Eierstokken | in het bekken | oestrogeen, progesteron | les 11 |
| Testikels | in het scrotum | testosteron | les 12 |
Wist je dat? Endocrien
‘Endocrien’ komt uit het Grieks: endon (binnen) en krinein (afscheiden). Een endocriene klier scheidt haar product dus ‘naar binnen’ af, in het bloed. Bij ‘exocrien’ (exo = buiten) loopt het product via een afvoergang naar buiten of naar een holte, zoals speeksel of zweet (les 1).
In les 2 leerde je dat de afgifte van hormonen op drie manieren wordt aangestuurd: hormonaal, via zenuwen en via de bloedwaarde zelf. In deze les zie je alle drie terug. De voorkwab van de hypofyse wordt hormonaal aangestuurd (door de hypothalamus), de achterkwab via zenuwuitlopers, en de bijschildklieren reageren rechtstreeks op de hoeveelheid calcium in het bloed.
De hypothalamus is een klein deel van de hersenen, onder de thalamus en direct boven de hypofyse. Hij is zowel zenuwweefsel als hormoonproducent, en daarmee de belangrijkste schakel tussen zenuwstelsel en hormoonstelsel (les 1). Hij heeft meerdere taken:
De hypothalamus gebruikt twee soorten hormonen: releasing-hormonen die de hypofyse aanzetten tot afgifte, en remmende hormonen die de afgifte juist afremmen.
| Hormoon | Werking op de hypofyse | Gevolg verderop | Les |
|---|---|---|---|
| TRH (thyreotropine-releasing hormoon) | stimuleert de afgifte van TSH | schildklier maakt T4 en T3 | 4 |
| CRH (corticotropine-releasing hormoon) | stimuleert de afgifte van ACTH | bijnierschors maakt cortisol | 7 |
| GnRH (gonadotropine-releasing hormoon) | stimuleert de afgifte van LH en FSH | eierstokken en testikels maken geslachtshormonen en geslachtscellen | 11, 12 |
| GHRH (groeihormoon-releasing hormoon) | stimuleert de afgifte van groeihormoon | groei en stofwisseling | 3 |
| Somatostatine (GHIH) | remt vooral de afgifte van groeihormoon | minder groeihormoon | 3, 6 |
| Dopamine (PIH) | remt de afgifte van prolactine | minder prolactine | 3, 8 |
Let op: één stof, meerdere rollen
Dopamine is in de hersenen ook een neurotransmitter (les 8). Somatostatine wordt ook in de alvleesklier en de darm gemaakt en werkt daar paracrien, op naburige cellen (les 2 en 6). Dezelfde stof kan dus op verschillende plaatsen verschillende taken hebben. Dat is een extra reden om niet in ‘één hormoon, één functie’ te denken.
Kader: ritme is informatie (GnRH)
GnRH wordt niet continu afgegeven maar in pulsen, ongeveer elk uur tot enkele uren. Dat ritme is zelf het signaal: een constante hoeveelheid GnRH schakelt de hypofyse juist uit. Bij een groot energietekort worden de pulsen trager of blijven ze weg, waardoor de menstruatie uitblijft (hypothalame amenorroe, les 2 en 11).
De hypofyse (Engels: pituitary gland) is zo groot als een erwt tot een boon. Ze hangt aan een steeltje (infundibulum) onder de hypothalamus en ligt beschermd in een kuiltje van het wiggebeen, het ‘Turks zadel’. De hypofyse bestaat uit twee delen die uit verschillend weefsel zijn ontstaan:
Beide delen zijn op een andere manier met de hypothalamus verbonden (figuur 2). De achterkwab via zenuwuitlopers: de hormonen ADH en oxytocine worden in de zenuwcellen van de hypothalamus gemaakt, reizen langs de uitlopers naar beneden en komen vrij als de zenuwcel een signaal krijgt. De voorkwab is verbonden via bloedvaten. In de steel ligt een fijn netwerk van bloedvaatjes, het portaalsysteem, dat de hormonen van de hypothalamus rechtstreeks naar de voorkwab voert. Dat is handig: de hormonen werken in kleine hoeveelheden en worden niet eerst verdund in de hele bloedsomloop.
ADH (antidiuretisch hormoon, ook wel vasopressine) regelt de vochtbalans. In de hypothalamus zitten osmoreceptoren: cellen die meten hoe geconcentreerd het bloed is. Wordt het bloed te geconcentreerd, bijvoorbeeld bij uitdroging of na een erg zoute maaltijd, dan komt er meer ADH vrij en je krijgt dorst. ADH zorgt dat de nieren meer water terugnemen naar het bloed, zodat je minder en meer geconcentreerde (donkere) urine maakt. Is het bloed weer verdund genoeg, dan daalt de ADH-afgifte. Dit is een schoolvoorbeeld van negatieve feedback (figuur 3). In zeer hoge concentraties vernauwt ADH ook bloedvaten, vandaar de naam vasopressine.
Alcohol remt de afgifte van ADH (les 2). Daardoor houden de nieren minder water vast en moet je meer plassen, wat bijdraagt aan uitdroging.
Let op: diabetes insipidus is niet hetzelfde als diabetes mellitus
Bij diabetes insipidus maakt de hypothalamus of de achterkwab te weinig ADH (of reageren de nieren er niet op). De nieren houden te weinig water vast: iemand plast veel, is erg dorstig en kan uitdrogen. Met de bloedsuikerziekte diabetes mellitus (les 6) heeft het niets te maken. De namen komen uit het Latijn: insipidus = smaakloos (de urine is waterig), mellitus = honingzoet (bij diabetes mellitus zit er suiker in de urine). Extreme dorst met veel plassen is altijd een reden om naar de huisarts te gaan.
Oxytocine heeft twee goed vastgestelde taken. Tijdens de bevalling versterkt het de weeën. Dat is positieve feedback (les 1): rek van de baarmoedermond stimuleert meer oxytocine, wat sterkere samentrekkingen geeft, tot de baby geboren is. In het ziekenhuis wordt synthetisch oxytocine gebruikt om weeën op te wekken of te versterken. Daarnaast zorgt oxytocine voor de melkafgifte bij borstvoeding: zuigen prikkelt zenuwen die de hypothalamus aansturen, waarna oxytocine de spiercellen rond de melkkanaaltjes laat samentrekken (de ‘toeschietreflex’).
Kader: oxytocine, het ‘knuffelhormoon’? Wat is onderbouwd?
Oxytocine wordt vaak ‘knuffel-’ of ‘liefdeshormoon’ genoemd, omdat het bij dieren een rol speelt bij binding en verzorging van jongen. Bij mensen is het beeld veel minder duidelijk. Studies waarin mensen oxytocine als neusspray kregen, zagen soms effecten op vertrouwen of sociaal gedrag, maar de bekendste bevindingen zijn bij herhaling niet goed teruggevonden. Een analyse schatte dat zulke studies gemiddeld maar een statistische power van ongeveer 16 procent hadden: ze waren te klein om kleine effecten betrouwbaar aan te tonen. Ook is het onzeker hoeveel oxytocine uit een neusspray de hersenen bereikt, en hoe goed oxytocine in bloed iets zegt over oxytocine in de hersenen.
Bewijs: sterk voor weeën en melkafgifte; beperkt tot zwak voor effecten op vertrouwen, liefde en relaties bij mensen.
De voorkwab maakt zes hormonen. Vier daarvan sturen andere klieren aan en heten daarom sturende of tropische hormonen (TSH, ACTH, LH en FSH). Groeihormoon en prolactine werken rechtstreeks op weefsels. De afgifte van alle zes wordt geregeld door de hypothalamus.
| Hormoon | Aangestuurd door | Doelorgaan | Werking | Les |
|---|---|---|---|---|
| TSH (thyreoïdstimulerend hormoon) | TRH (+) | schildklier | zet de schildklier aan tot de aanmaak van T4 en T3 | 4 |
| ACTH (adrenocorticotroop hormoon) | CRH (+) | bijnierschors | zet aan tot de aanmaak van cortisol | 7 |
| LH (luteïniserend hormoon) | GnRH (+) | eierstokken, testikels | eisprong en aanmaak van oestrogeen en progesteron; aanmaak van testosteron | 11, 12 |
| FSH (follikelstimulerend hormoon) | GnRH (+) | eierstokken, testikels | rijping van eicellen en follikels; aanmaak van zaadcellen | 11, 12 |
| Groeihormoon (GH) | GHRH (+), somatostatine (–) | lever, bot, spier, vetweefsel | groei, eiwitopbouw, stofwisseling (§ 3.4.4) | 3 |
| Prolactine | dopamine (–) | borstklier | melkproductie (§ 3.4.5) | 3 |
Figuur 4 laat zien hoe de hypothalamus-hypofyse-as werkt, met de negatieve feedback uit les 1: hoge spiegels van het eindhormoon remmen de hypothalamus en de hypofyse.
Let op: ‘meesterklier’ en ‘zes hormonen’ zijn vereenvoudigingen
De hypofyse wordt vaak de ‘meesterklier’ genoemd. Het is eerlijker om haar een tussenstation te noemen: de hypothalamus geeft de opdracht, en de eindhormonen (zoals cortisol en T4) sturen via feedback de hypothalamus én de hypofyse weer bij. Ook ‘zes hormonen’ is een afronding. Sommige leerboeken tellen bèta-endorfine als zevende voorkwabhormoon. Dat wordt, net als ACTH, afgesplitst uit hetzelfde grote voorloper-eiwit (POMC). Dat verklaart waarom een overmaat aan ACTH de huid donkerder kan maken (les 7).
Groeihormoon wordt in pulsen afgegeven, met de grootste pulsen ’s nachts tijdens diepe slaap (les 2 en 9). Het werkt op twee manieren (figuur 5):
Bij kinderen bepaalt groeihormoon samen met andere hormonen de lengtegroei. Een tekort geeft een achterblijvende groei, een overmaat vóór het einde van de groei leidt tot gigantisme. Bij volwassenen, nadat de groeischijven zijn gesloten, leidt een overmaat (meestal door een goedaardig gezwel in de hypofyse) tot acromegalie: botten en weefsels in gezicht, handen en voeten groeien geleidelijk, vaak met veel zweten, gewrichtsklachten en een hogere bloedsuiker. Omdat dit zich over jaren ontwikkelt, wordt het vaak laat herkend. Een toename van schoen- en ringmaat en een veranderend gelaat zijn signalen voor de huisarts.
Kader: groeihormoon als ‘anti-aging’
Groeihormoon wordt als ‘verjongingsmiddel’ aangeboden, maar dat is niet onderbouwd. Een systematische review van gecontroleerde onderzoeken bij gezonde ouderen (gemiddeld 69 jaar, behandeling gemiddeld ongeveer een half jaar) vond kleine veranderingen in lichaamssamenstelling (iets meer spiermassa, iets minder vet), geen verbetering van klinisch belangrijke uitkomsten zoals botdichtheid of conditie, en méér bijwerkingen. Er is geen aanwijzing dat groeihormoon het leven verlengt. Beperking: de onderzoeken waren klein en kort, dus langetermijneffecten zijn niet goed bekend. Groeihormoon is een receptgeneesmiddel voor een aangetoond tekort (bij kinderen en bij sommige volwassenen) en staat op de dopinglijst.
Voor supplementen die de eigen aanmaak zouden ‘boosten’ is voor deze les geen overtuigend bewijs voor gezondheidswinst gevonden; zoek je er meer over, wees dan kritisch. Goede slaap en regelmatige beweging stimuleren de eigen GH-afgifte, maar dat die extra GH op zichzelf je gezondheid verbetert, is niet aangetoond. Slaap en beweging zijn om andere redenen belangrijk (les 9 en 14).
Bewijs: beperkt (kleine, korte studies); geen aanwijzing voor voordeel op gezondheid of levensduur, wel voor bijwerkingen.
Prolactine zorgt tijdens de zwangerschap voor de ontwikkeling van de borstklier en na de bevalling voor de melkproductie. Tijdens de zwangerschap is het prolactine al hoog, maar de hoge oestrogeen- en progesteronspiegels remmen de melkproductie. Na de bevalling dalen die hormonen en komt de melkproductie op gang. Zuigen houdt het prolactine hoog, en oxytocine zorgt voor de afgifte van de melk (§ 3.4.2).
Bij prolactine werkt de regeling ‘omgekeerd’: de hypothalamus remt de afgifte voortdurend met dopamine. Pas als die rem wegvalt, stijgt prolactine. Hoge prolactinespiegels onderdrukken de GnRH-pulsen, waardoor de eisprong kan uitblijven. Dat is normaal tijdens borstvoeding, maar buiten zwangerschap en borstvoeding is het een signaal.
Een verhoogd prolactine (hyperprolactinemie) heeft meerdere mogelijke oorzaken. Veel ervan zijn onschuldig of oplosbaar:
| Oorzaak | Toelichting |
|---|---|
| Normale situaties | zwangerschap, borstvoeding, stimulatie van de tepels, slaap, inspanning, stress (meestal een milde, tijdelijke stijging) |
| Medicijnen | onder meer bepaalde antipsychotica, maagmedicijnen zoals metoclopramide en domperidon, sommige antidepressiva en het bloeddrukmedicijn verapamil. Nooit zelf stoppen: bespreek het met huisarts of apotheker. |
| Andere aandoeningen | onder meer een onderactieve schildklier, nier- of leverziekte |
| Prolactinoom | een meestal goedaardig gezwel in de hypofyse dat prolactine maakt; de meest voorkomende hormoonproducerende hypofysetumor |
| Macroprolactine | grote, biologisch inactieve prolactinecomplexen die de meting verhogen zonder dat er klachten zijn (laboratoriumartefact) |
Klachten kunnen zijn: onregelmatige of uitblijvende menstruatie, melkafscheiding uit de borsten buiten zwangerschap en borstvoeding (galactorroe), verminderd libido, verminderde vruchtbaarheid; bij mannen ook erectieproblemen en soms borstvorming. Door de lage oestrogeen- of testosteronspiegel kan op lange termijn ook de botdichtheid afnemen. Omdat stress en slaap de prolactinespiegel beïnvloeden, wordt een verhoogde waarde meestal herhaald. Bewijs: sterk (richtlijn van de Endocrine Society). De huisarts of specialist zoekt de oorzaak uit.
| Soort probleem | Wat gebeurt er? | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Te veel hormoon | een hormoonproducerend gezwel (adenoom) in de voorkwab | acromegalie (te veel GH), prolactinoom, ziekte van Cushing (te veel ACTH, les 7) |
| Te weinig hormoon | hypopituïtarisme: één of meer hypofysehormonen ontbreken, bijvoorbeeld door een gezwel, operatie, bestraling, hersenletsel of een bloeding. Klachten hangen af van het ontbrekende hormoon en ontstaan vaak sluipend (moeheid, koude-intolerantie, lage bloeddruk, uitblijvende menstruatie, verminderd libido). | tekort aan ACTH, TSH, LH/FSH, GH |
| Drukklachten | een groter gezwel (macroadenoom, 1 cm of groter) kan op de omgeving drukken, vooral op de kruising van de oogzenuwen | hoofdpijn en gezichtsveldbeperking: uitval van het buitenste deel van het gezichtsveld aan beide kanten (‘tunnelzicht’) |
| Te weinig ADH | de achterkwab geeft te weinig ADH af | diabetes insipidus |
Kader: een hypofysegezwel is meestal onschuldig
Hypofysegezwellen (adenomen) zijn bijna altijd goedaardig. Bij autopsiestudies vindt men bij ruwweg 1 op de 10 mensen een klein, onopgemerkt gezwel (microadenoom, kleiner dan 1 cm) dat nooit klachten gaf. Bij MRI-onderzoek worden ze bij enkele procenten toevallig gevonden; sommige oudere of geselecteerde MRI-reeksen vinden hogere percentages. De schattingen lopen sterk uiteen tussen onderzoeken. Een toevalsvondst hoort bij de huisarts of specialist, maar is op zichzelf geen reden voor paniek. Klachten ontstaan vooral bij grotere gezwellen of bij gezwellen die hormonen maken.
De bijschildklieren zijn meestal vier kleine klieren die aan de achterkant van de schildklier liggen. Ze zijn elk maar enkele millimeters groot, maar hun taak is onmisbaar: ze houden het calcium in je bloed binnen smalle grenzen. Ondanks de naam hebben ze met de schildklier (les 4) functioneel niets te maken; ze liggen er alleen vlak bij. Daardoor kunnen ze bij een operatie aan de schildklier wel beschadigd raken.
Het grootste deel van het calcium (meer dan 99 procent) zit in botten en tanden. Het kleine deel dat in het bloed en in de cellen zit, doet bijna alles wat snel moet gebeuren:
Omdat zoveel processen van calcium afhangen, wordt de calciumconcentratie in het bloed strak geregeld. Net als bij steroïdhormonen (les 2) zit een deel van het calcium aan eiwit gebonden (vooral albumine); alleen het vrije, ‘geïoniseerde’ deel is actief. Een bloedtest meet meestal het totale calcium.
Wist je dat? Je skelet is een calciumbank
Botten worden voortdurend afgebroken en opgebouwd (les 1) en dienen tegelijk als calciumvoorraad. Als het calcium in het bloed daalt, levert het bot calcium. Een langdurig tekort of een hormonale verstoring merk je daarom vaak niet eerst in je bloedwaarde, maar in de sterkte van je botten.
De bijschildklieren ‘meten’ zelf hoeveel calcium er in het bloed zit: de bloedwaarde is hier het signaal (les 2). Daalt het calcium, dan maken ze meer parathormoon (PTH), een peptidehormoon. Stijgt het calcium, dan maken ze minder. Dat is negatieve feedback (figuur 6).
| Doelorgaan | Wat doet PTH? | Gevolg voor het bloed |
|---|---|---|
| Bot | stimuleert de botafbraak: calcium en fosfaat komen vrij | calcium stijgt |
| Nieren | houden meer calcium vast, scheiden meer fosfaat uit en activeren vitamine D | calcium stijgt, fosfaat daalt |
| Darm | indirect: actief vitamine D zorgt voor meer calciumopname | calcium stijgt |
Kader: het patroon van afgifte telt (PTH)
Een voortdurend hoge PTH-spiegel breekt bot af. Korte, dagelijkse pieken (bij injectie van een kunstmatige variant) stimuleren juist botopbouw en worden daarom als medicijn bij osteoporose gebruikt. Dat is een mooi voorbeeld van wat je in les 2 leerde: niet alleen hoeveel hormoon er is, maar ook hoe het wordt afgegeven, bepaalt het effect.
Vitamine D is eigenlijk geen vitamine, maar een steroïdachtig hormoon (les 2). Het lichaam kan het zelf aanmaken: bij voldoende zonblootstelling ontstaat het grootste deel in de huid onder invloed van zonlicht (UVB), en daarnaast komt vitamine D uit voeding (vette vis, eieren, verrijkte margarine) of supplementen. De vitamine D uit huid of voeding is nog niet actief. Hij wordt eerst in de lever omgezet in 25-hydroxy-vitamine D (calcidiol) en daarna, onder invloed van PTH, in de nieren in de actieve vorm (calcitriol). Actief vitamine D zorgt vooral dat de darm calcium en fosfaat opneemt (figuur 7).
In een bloedtest wordt 25-hydroxy-vitamine D gemeten, omdat dat de beste maat is voor de voorraad. Welke waarde ‘voldoende’ is, wordt niet overal hetzelfde vastgesteld. De Gezondheidsraad gebruikt 30 nmol/l als ondergrens waaronder het risico op botziekten (rachitis bij kinderen, osteomalacie bij volwassenen) toeneemt. Andere organisaties hanteerden in het verleden hogere streefwaarden. Een waarde net onder zo’n streefwaarde is dus niet automatisch een ‘tekort’ waar je iets mee moet.
Calcitonine wordt gemaakt door speciale cellen in de schildklier (les 4). Het remt de botafbraak en verlaagt daarmee het calcium. Bij volwassenen speelt het in de normale calciumregeling een kleine rol vergeleken met PTH en vitamine D.
In Nederland geeft de Gezondheidsraad adviezen over extra vitamine D voor groepen die er door leeftijd, huidskleur of leefwijze moeilijker aan komen. Het Voedingscentrum vertaalt die naar de praktijk. De tabel hieronder geeft de hoofdlijnen weer; controleer bij twijfel altijd de actuele tabel van het Voedingscentrum.
| Groep | Advies (microgram vitamine D per dag, naast voeding) | Opmerking |
|---|---|---|
| Kinderen van 0 tot en met 3 jaar | 10 | voorkomt rachitis; bewijs sterk |
| Zwangere vrouwen | 10 | |
| Mensen van 4 tot en met 69 jaar met een donkere of getinte huid | 10 | de huid maakt bij dezelfde zonblootstelling minder vitamine D aan; onderbouwing minder sterk |
| Vrouwen van 50 tot en met 69 jaar | 10 | onderbouwing minder sterk; mannen van deze leeftijd staan niet in het algemene rijtje |
| Mensen van 4 tot en met 69 jaar die weinig buiten komen of hun huid grotendeels bedekken | 10 | onderbouwing minder sterk |
| Iedereen vanaf 70 jaar | 20 | grotere behoefte en hoger botbreukrisico |
Volgens het Voedingscentrum maak je in het voorjaar, de zomer en het najaar voldoende vitamine D aan als je dagelijks een kwartier tot een half uur buiten bent, tussen 11.00 en 15.00 uur, met onbedekt gezicht en onbedekte handen. Zorg dat je niet verbrandt. In de wintermaanden is de zon in onze streken te laag voor een zinvolle aanmaak. De Europese autoriteit EFSA stelde de veilige bovengrens voor volwassenen op 100 microgram per dag. Te veel vitamine D kan het calcium in het bloed te hoog maken (hypercalciëmie) en nierstenen geven. 1 microgram komt overeen met 40 internationale eenheden (IE).
Voor calcium geldt een aanbevolen hoeveelheid die per leeftijd en levensfase verschilt: grofweg tussen ongeveer 950 en 1200 milligram per dag, hoger bij het ouder worden (de bedragen zijn afgerond; zie voedingscentrum.nl voor de actuele tabel). Zuivel is de belangrijkste bron. Ook met calcium verrijkte plantaardige alternatieven, bepaalde groenten (zoals boerenkool en broccoli) en noten leveren calcium. Calcium uit voeding verdient de voorkeur boven supplementen.
Kader: calcium en vitamine D tegen botbreuken. Wat is bewezen?
Sterk: een ernstig vitamine D-tekort geeft rachitis bij kinderen en osteomalacie (zachte botten) bij volwassenen. Het voorkomen van een tekort bij risicogroepen is zinvol; daarop is het Nederlandse suppletieadvies gebaseerd.
Beperkt: of extra calcium en vitamine D botbreuken voorkomen bij gezonde, zelfstandig wonende volwassenen zonder tekort. Een Amerikaanse analyse (US Preventive Services Task Force, 2018) van elf onderzoeken met in totaal ruim 51.000 volwassenen vanaf 50 jaar vond geen verminderd aantal botbreuken. De werkgroep raadde in die groep af om 400 IE vitamine D of minder en 1000 mg calcium of minder te slikken om botbreuken te voorkomen, en zag dat de combinatie vaker nierstenen gaf.
Dit hoeft niet tegenstrijdig te zijn met het Nederlandse advies. De vragen zijn verschillend: het ene advies gaat over het voorkomen van een tekort in risicogroepen, het andere over het voorkomen van botbreuken bij mensen zonder tekort. De Amerikaanse conclusie geldt bovendien niet voor mensen met osteoporose, een bekend tekort of in een verpleeghuis.
Over vitamine D en infecties zegt het Voedingscentrum dat onvoldoende is aangetoond dat extra vitamine D het risico vermindert. Bewijs: beperkt.
| Stoornis | Oorzaak | Gevolgen en klachten |
|---|---|---|
| Primaire hyperparathyreoïdie (te veel PTH) | meestal een goedaardig gezwel (adenoom) in één bijschildklier | calcium te hoog. Vaak geen of milde klachten: moeheid, dorst en veel plassen, buikklachten, somberheid of concentratieproblemen. Op termijn nierstenen en botontkalking. |
| Secundaire hyperparathyreoïdie | de klieren maken veel PTH als reactie op een laag calcium, bijvoorbeeld door een ernstig vitamine D-tekort of nierziekte | PTH is hoog, het calcium is laag of normaal. De behandeling richt zich op de onderliggende oorzaak. |
| Hypoparathyreoïdie (te weinig PTH) | meestal beschadiging of verwijdering van de bijschildklieren bij een operatie aan hals of schildklier; soms auto-immuun of aangeboren | calcium te laag: tintelingen rond de mond en in de handen, spierkrampen; bij ernstig tekort spierspasmen (tetanie) en stuipen. Na een schildklieroperatie is dit vaak tijdelijk. |
Primaire hyperparathyreoïdie is de meest voorkomende oorzaak van een verhoogd calcium bij mensen die thuis wonen (in het ziekenhuis is kanker vaker de oorzaak). Het komt ongeveer drie keer zo vaak voor bij vrouwen als bij mannen, vooral na de overgang. In sommige bevolkingsstudies, bijvoorbeeld uit Zweden, ging het om tot ongeveer 2 procent van de vrouwen boven de 55; de schattingen verschillen. Omdat de klachten mild en aspecifiek zijn, wordt het vaak bij toeval ontdekt bij routinebloedonderzoek. Ook bepaalde medicijnen en een overdosering vitamine D kunnen het calcium verhogen.
Let op: kramp en tintelingen zijn meestal iets anders
Spierkrampen en tintelingen komen veel voor en hebben meestal een onschuldige oorzaak, zoals een verkeerde houding, overbelasting of snelle ademhaling bij spanning. Aan een laag calcium denk je pas bij een passende combinatie, bijvoorbeeld tintelingen rond de mond en in beide handen kort na een halsoperatie. Dan is contact met de behandelend arts nodig. Zelf calcium of vitamine D hoog doseren is geen oplossing en kan schaden.
De pijnappelklier (epifyse) is een klein klierachtig orgaantje diep in het midden van de hersenen. Ze maakt het hormoon melatonine (een aminehormoon, uit tryptofaan, les 2). De afgifte wordt door licht en donker aangestuurd via de biologische klok in de hypothalamus: melatonine stijgt in de avond en is ’s nachts het hoogst. Zo geeft het hormoon aan het lichaam door dat het nacht is. Hoe dit werkt en wat bekend is over melatoninesupplementen, volgt in les 9.
De thymus ligt achter het borstbeen. Hij is bij kinderen groot en krimpt na de puberteit (les 1). In de thymus rijpen T-lymfocyten, een soort witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in de afweer. De ‘T’ staat voor thymus. Ook maakt de thymus hormonen (thymosines) die dit rijpingsproces ondersteunen. Hoe de afweer leert onderscheid te maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd, en wat er misgaat bij auto-immuunziekten, komt aan bod in les 15.
Niet alle hormonen komen uit klassieke klieren. Veel organen die in de eerste plaats iets anders doen, maken daarnaast hormonen. Je zag al een aantal voorbeelden in les 1 en 2. De tabel zet ze bij elkaar.
| Orgaan | Hormoon | Werking | Les |
|---|---|---|---|
| Hart | ANP (atriaal natriuretisch peptide) | wordt gemaakt als de boezems worden opgerekt; verlaagt bloedvolume, bloeddruk en natrium; werkt als tegenhanger van aldosteron | — |
| Nieren | EPO, renine, actief vitamine D | EPO stimuleert rode bloedcellen; renine start de bloeddrukregeling; vitamine D-activering (§ 3.5) | 3 |
| Huid | vitamine D3 | maakt onder invloed van UVB de voorloper van vitamine D aan (§ 3.5) | 3 |
| Lever | IGF-1 | gemaakt onder invloed van groeihormoon (§ 3.4.4); de lever maakt ook transporteiwitten voor hormonen | 5 |
| Vetweefsel | leptine | geeft een verzadigingssignaal aan de hersenen; hoeveelheid hangt samen met de hoeveelheid lichaamsvet | 13 |
| Maag en darm | ghreline, gastrine, secretine, CCK, GLP-1 | sturen vertering aan en geven honger- en verzadigingssignalen | 10 |
| Botweefsel | o.a. FGF23 | helpt de fosfaathuishouding regelen | 3, Extra A |
| Placenta | hCG, progesteron, oestrogeen | onderhouden de zwangerschap; hCG is het hormoon in de zwangerschapstest (les 2) | Extra B |
| Spieren | myokines | signaalstoffen die tijdens inspanning vrijkomen; een actief onderzoeksgebied, veel is nog voorlopig | 14 |
In deze les kwamen een aantal beweringen langs die je ook buiten het lokaal tegenkomt. Hieronder zet je ze naast elkaar, met de sterkte van het bewijs, zodat je in een gesprek kunt aangeven wat vaststaat en wat vooral wordt beweerd.
| Bewering | Wat zegt het onderzoek? | Bewijs |
|---|---|---|
| Oxytocine veroorzaakt weeën en melkafgifte | goed vastgestelde fysiologie; synthetisch oxytocine wordt in de verloskunde gebruikt | Sterk |
| Oxytocine (neusspray) verhoogt vertrouwen of verbetert relaties | bekendste bevindingen niet goed herhaald; studies klein en vaak te weinig power | Zwak tot beperkt |
| Groeihormoon of ‘boosters’ houden je jong | kleine veranderingen in lichaamssamenstelling, geen voordeel op gezondheid of levensduur aangetoond, wel meer bijwerkingen; studies klein en kort | Beperkt (geen voordeel aangetoond) |
| Hoog prolactine betekent altijd een tumor | vaak medicijnen, stress, schildklier of zwangerschap; ook macroprolactine kan de uitslag verhogen | Sterk (bewering is onjuist) |
| Een hypofysegezwel is altijd ernstig | kleine gezwellen zijn vaak een toevalsbevinding en geven meestal geen klachten | Sterk (bewering is onjuist) |
| Extra vitamine D voorkomt rachitis bij kinderen | sterke onderbouwing; basis van het advies voor kinderen tot 4 jaar | Sterk |
| Extra vitamine D en calcium voorkomen botbreuken bij gezonde volwassenen | geen verminderd aantal botbreuken bij zelfstandig wonende volwassenen zonder tekort; wel meer nierstenen | Beperkt; niet aangetoond |
| Extra vitamine D beschermt tegen infecties | volgens het Voedingscentrum onvoldoende aangetoond | Beperkt |
| Meer vitamine D is beter | bovengrens 100 microgram per dag; te veel geeft te hoog calcium en nierstenen | Sterk (risico is aangetoond) |
Zoals in les 2: als (aankomend) gewichtsconsulent of coach kun je uitleggen hoe de hypothalamus, hypofyse en bijschildklieren werken, en je kunt leefstijlfactoren bespreken (slaap, beweging, voeding, daglicht). Je stelt geen diagnoses, je schrijft geen hormonen of vitaminepreparaten voor en je adviseert niemand om medicijnen te stoppen. Een vitamine D-bloedwaarde of een ‘tekort’ interpreteer je niet zelf. Bij de volgende signalen verwijs je door naar de huisarts:
| Signaal | Waarom doorverwijzen? |
|---|---|
| Hoofdpijn samen met gezichtsveldklachten (‘tunnelzicht’) | kan wijzen op een gezwel dat op de oogzenuwen drukt |
| Extreme dorst met veel plassen | diabetes insipidus of diabetes mellitus; beide vragen om onderzoek |
| Melkafscheiding uit de borsten buiten zwangerschap en borstvoeding, of uitblijven van de menstruatie langer dan drie maanden | verhoogd prolactine of andere oorzaak; oorzaak zoeken is nodig |
| Over de jaren grotere handen, voeten en veranderend gelaat, met veel zweten en gewrichtsklachten | kan wijzen op een overmaat aan groeihormoon (acromegalie) |
| Aanhoudend dorst en veel plassen, nierstenen of een botbreuk bij een lichte val | kan wijzen op een te hoog calcium of botontkalking |
| Tintelingen rond de mond en in de handen met spierkrampen, vooral na een halsoperatie | kan wijzen op een te laag calcium; bij ernstige klachten direct hulp |
| Achterblijvende groei of afbuigende groeicurve bij een kind | overleg met huisarts of jeugdarts (consultatiebureau) |
| Gebruik van groeihormoon, ‘boosters’ of hoge doses vitamine D of calcium | bespreek dit met huisarts of apotheker; adviseer zelf geen hoge doseringen |
Wat je wel kunt doen: uitleggen hoe het systeem in elkaar zit, beweringen op internet helpen toetsen aan het bewijs (§ 3.8), wijzen op daglicht, bewegen en gevarieerd eten, en de adviezen van het Voedingscentrum bij vitamine D en calcium doorgeven met de kanttekening dat die kunnen veranderen.
Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.
1.Noem vijf hormoonklieren en geef bij elke klier één hormoon dat ze maakt.
2.Waar ligt de hypothalamus en welke vier taken heeft hij?
3.Hoe bereiken hypothalamushormonen de voorkwab van de hypofyse, en waarom is dat een voordeel?
4.Noem de hypothalamushormonen die de voorkwab aansturen en het hypofysehormoon waarop elk werkt. Welke remmen?
5.Wat is het verschil tussen de voorkwab en de achterkwab van de hypofyse (weefsel, herkomst van de hormonen, aansturing)?
6.Welke twee hormonen geeft de achterkwab af, en waar worden ze gemaakt?
7.Beschrijf in stappen hoe het lichaam bij uitdroging ADH inzet. Wat doet alcohol hierbij?
8.Wat is het verschil tussen diabetes insipidus en diabetes mellitus?
9.Noem twee goed onderbouwde functies van oxytocine, en leg uit waarom je voorzichtig moet zijn met de term ‘knuffelhormoon’.
10.Noem de zes hormonen van de voorkwab met hun doelorgaan. Welke vier heten sturende (tropische) hormonen?
11.Leg uit hoe negatieve feedback werkt in de hypothalamus-hypofyse-as, met een voorbeeld uit deze les.
12.Hoe werkt groeihormoon? Beschrijf de directe en de indirecte route (IGF-1).
13.Wat is het verschil tussen gigantisme en acromegalie?
14.Wat is bekend over groeihormoon als ‘anti-aging’? Noem ook een beperking van het onderzoek.
15.Hoe wordt prolactine geregeld en wat doet het? Hoe komt de melkproductie na de bevalling op gang?
16.Noem drie oorzaken van een verhoogd prolactine en drie mogelijke klachten. Waarom is één meting niet altijd betrouwbaar?
17.Noem drie mogelijke gevolgen van een gezwel in de hypofyse. Wat is een microadenoom en hoe vaak komt het voor?
18.Waarom is ‘meesterklier’ een vereenvoudiging voor de hypofyse?
19.Noem vier functies van calcium. Welk deel van het calcium zit in het skelet?
20.Beschrijf hoe PTH het calcium in het bloed verhoogt (drie doelorganen) en wat het met fosfaat doet.
21.Beschrijf de weg van vitamine D van huid of voeding naar de actieve vorm. Welke vorm meet een bloedtest?
22.Wat doet calcitonine, en hoe belangrijk is het bij volwassenen?
23.Noem vier groepen die volgens de Gezondheidsraad extra vitamine D nodig hebben en geef de veilige dagelijkse bovengrens.
24.Wat laat onderzoek zien over calcium- en vitamine D-supplementen en botbreuken bij gezonde volwassenen? Waarom spreekt dat het advies voor risicogroepen niet per se tegen?
25.Leg het verschil uit tussen primaire hyperparathyreoïdie, secundaire hyperparathyreoïdie en hypoparathyreoïdie. Noem bij elk een oorzaak en klachten.
26.Wat doen de pijnappelklier en de thymus? In welke les komt de pijnappelklier verder aan bod?
27.Noem vier signalen waarbij je als coach doorverwijst naar de huisarts, passend bij deze les.
Tip
Maak als extra oefening een samenvatting van deze les als schema, bijvoorbeeld met de hypothalamus-hypofyse-as in het midden en de calciumregeling ernaast.
Kies bij elke vraag het beste antwoord. Deze opgaven oefenen hoe je de lesstof toepast, zoals je dat later in een gesprek met een cliënt zou doen.
1.Een cliënte (52) heeft sinds enige tijd veel dorst en moet vaak plassen. Bij routinebloedonderzoek bleek haar calcium licht verhoogd. Wat is voor jou als coach de beste reactie?
a.Zeggen dat ze zeker een bijschildklieraandoening heeft en dat een operatie nodig is.
b.Adviseren direct een hoge dosis vitamine D te nemen, want dat verlaagt het calcium.
c.Uitleggen dat een verhoogd calcium meerdere oorzaken kan hebben, waaronder een aandoening van de bijschildklieren, en dat de huisarts dit moet onderzoeken. Zelf stel je geen diagnose.
d.Zeggen dat het door de overgang komt en dat ze er niets mee hoeft.
2.Wat gebeurt er in een goed werkend systeem als het calcium in het bloed daalt?
a.De bijschildklieren maken meer PTH: er komt calcium vrij uit het bot, de nieren houden meer calcium vast en activeren vitamine D, en de darm neemt meer calcium op.
b.De bijschildklieren maken minder PTH, waardoor de nieren meer calcium uitscheiden.
c.De hypofyse geeft meer groeihormoon af, waardoor het calcium stijgt.
d.De alvleesklier maakt meer insuline, dat calcium uit het bot haalt.
3.Welk hormoon wordt gemaakt in de hypothalamus en afgegeven door de achterkwab van de hypofyse?
a.TSH
b.Prolactine
c.Groeihormoon
d.ADH
4.Waarom is het portaalsysteem tussen hypothalamus en voorkwab handig?
a.De voorkwab bestaat uit zenuwweefsel, dus de hormonen moeten via zenuwuitlopers reizen.
b.De hormonen van de hypothalamus komen in kleine hoeveelheden direct bij de voorkwab, zonder eerst in de hele bloedsomloop te worden verdund.
c.Zo kunnen hypofysehormonen rechtstreeks de hersenen in.
d.Zo hoeft de voorkwab zelf geen hormonen te maken.
5.Casus. Een vrouw van 34 heeft al enkele maanden geen menstruatie. Ze is niet zwanger, geeft geen borstvoeding en merkt dat er soms melk uit haar borsten komt. Welke verklaring past het best en wat is de juiste actie?
a.Te veel groeihormoon; ze moet minder eiwitten eten.
b.Te weinig oxytocine; ze moet vaker knuffelen.
c.Een verhoogd prolactine (bijvoorbeeld door een medicijn, een onderactieve schildklier of een prolactinoom) dat de eisprong onderdrukt. Doorverwijzen naar de huisarts voor onderzoek.
d.Te veel ADH; ze moet minder drinken.
6.Wat laat onderzoek bij gezonde ouderen zien over groeihormoon als anti-agingmiddel?
a.Kleine veranderingen in de lichaamssamenstelling, geen aangetoonde levensverlenging of betere conditie, en meer bijwerkingen.
b.Een sterke toename van spierkracht en een langer leven.
c.Het verbetert de botdichtheid duidelijk en heeft geen bijwerkingen.
d.Het heeft geen enkel meetbaar effect op het lichaam.
7.Casus. Een cliënt vraagt of een oxytocine-neusspray zijn vertrouwen en relatie verbetert. Wat is de beste reactie?
a.Bevestigen dat bewezen is dat de spray vertrouwen vergroot.
b.Zeggen dat oxytocine alleen tijdens de bevalling bestaat.
c.Zeggen dat oxytocine in de voorkwab wordt gemaakt en een spray daarom nutteloos is.
d.Uitleggen dat oxytocine bij weeën en melkafgifte goed onderbouwd is, maar dat effecten van een neusspray op vertrouwen bij mensen onzeker zijn (kleine studies, resultaten niet altijd herhaald). Zelf beginnen met een spray raad je niet aan.
8.Een hypofysegezwel groeit omhoog en drukt op de kruising van de oogzenuwen. Wat is een typisch gevolg?
a.Verlies van reuk en smaak.
b.Uitval van het buitenste gezichtsveld aan beide kanten (tunnelzicht), vaak met hoofdpijn.
c.Een snelle daling van het calcium in het bloed.
d.Altijd een verlaagde hartslag.
9.Waarom is ‘meesterklier’ een vereenvoudiging voor de hypofyse?
a.Omdat de hypofyse zelf geen hormonen maakt.
b.Omdat de hypofyse alleen de schildklier aanstuurt.
c.Omdat de hypothalamus de hypofyse aanstuurt en de eindhormonen via negatieve feedback hypothalamus en hypofyse weer afremmen.
d.Omdat de hypofyse een onderdeel van de bijnier is.
10.Casus. Een cliënte (58) slikt dagelijks 50 microgram vitamine D en 1000 mg calcium extra ‘voor de zekerheid’. Wat is de beste reactie?
a.Uitleggen dat voor haar leeftijd 10 microgram vitamine D wordt geadviseerd, dat de bovengrens voor veilig gebruik 100 microgram per dag is, dat méér niet automatisch beter is en dat supplementen onder meer nierstenen kunnen geven. Adviseren dit met huisarts of apotheker te bespreken.
b.Adviseren de dosis in de winter te verdubbelen.
c.Zeggen dat vitamine D onschadelijk is, dus hoe meer hoe beter.
d.Adviseren alle supplementen te stoppen en de zon helemaal te vermijden.
11.Een cliënt merkt dat hij na een avond alcohol vaker moet plassen. Wat is de juiste verklaring?
a.Alcohol stimuleert ADH, waardoor de nieren meer water vasthouden.
b.Alcohol zet de bijschildklieren aan tot meer PTH.
c.Alcohol verhoogt de afgifte van groeihormoon.
d.Alcohol remt de afgifte van ADH, waardoor de nieren minder water terugnemen.
12.Casus. Sanne (29) geeft sinds drie weken borstvoeding. Ze vraagt waarom de melk ‘toeschiet’ zodra haar baby gaat drinken. Wat is de beste uitleg?
a.Prolactine laat de spiercellen rond de melkkanaaltjes samentrekken.
b.Zuigen prikkelt zenuwen naar de hypothalamus. De achterkwab geeft oxytocine af, dat de spiercellen rond de melkkanaaltjes laat samentrekken. Prolactine zorgt voor de aanmaak van de melk.
c.Cortisol zorgt voor de melkafgifte.
d.Groeihormoon laat de melk vanzelf toeschieten.
13.Welke uitspraak over vitamine D klopt?
a.Het komt alleen uit voeding; de huid maakt het niet aan.
b.De actieve vorm wordt in de lever gemaakt; de nieren spelen geen rol.
c.Het wordt grotendeels in de huid aangemaakt onder invloed van zonlicht, in lever en nieren omgezet in de actieve vorm en verhoogt de calciumopname uit de darm.
d.Het verlaagt de calciumopname uit de darm.
14.Casus. Thomas (47) is gisteren geopereerd aan zijn schildklier. Vandaag heeft hij tintelingen rond zijn mond en krampen in zijn handen. Wat is een logische verklaring en wat is de juiste actie?
a.Mogelijk een te laag calcium doordat de bijschildklieren bij de operatie zijn beschadigd of tijdelijk minder werken. Hij neemt direct contact op met zijn behandelend arts of het ziekenhuis.
b.Te veel calcium door een overactieve hypofyse; hij moet water drinken.
c.Dit is normaal na een operatie; afwachten is prima.
d.Een tekort aan groeihormoon; hij moet extra eiwit eten.
15.Welke combinatie van hypothalamushormoon, hypofysehormoon en eindklier klopt?
a.TRH – LH – eierstokken
b.GnRH – TSH – schildklier
c.Dopamine – groeihormoon – lever
d.CRH – ACTH – bijnierschors
16.Waarom wordt primaire hyperparathyreoïdie vaak ‘bij toeval’ ontdekt?
a.Het veroorzaakt altijd ernstige pijn, waardoor mensen direct naar de arts gaan.
b.De klachten zijn vaak mild en aspecifiek (moeheid, dorst, somberheid), dus pas een bloedtest laat het verhoogde calcium zien.
c.Het is alleen met een hersenscan vast te stellen.
d.Het hormoon PTH geeft nooit klachten.
De inhoud van deze les is gebaseerd op onderstaande bronnen. [V] = volledig gelezen; [S] = betreffende passage, samenvatting of richtlijnonderdeel gelezen; [Sec] = secundair.
OpenStax (2022). Anatomy and Physiology 2e, hoofdstuk 17.3, 17.5 en 17.10. [V]
Endotext/NCBI Bookshelf. Physiology of GnRH and Gonadotrophin Secretion en Calcium and Phosphate Homeostasis. [S]
StatPearls/NCBI Bookshelf. Pituitary Adenoma, Hypoparathyroidism en Hypocalcemia. [S]
Endocrine Society. Diagnosis and Treatment of Hyperprolactinemia (Melmed et al., 2011) en richtlijn Functional Hypothalamic Amenorrhea. [S]
Liu, H. et al. (2007). Systematic review: the safety and efficacy of growth hormone in the healthy elderly. [S]
Nave, G. et al. (2015) en Walum, H. et al. (2016), reviews over intranasale oxytocine en vertrouwen/sociale effecten. [S]
Gezondheidsraad (2012, 2018), Voedingscentrum en EFSA: vitamine D, calcium en veilige bovengrenzen. [S]
US Preventive Services Task Force (2018). Vitamin D, calcium, or combined supplementation for the primary prevention of fractures in community-dwelling adults. [S]
Endotext en NIDDK: primaire hyperparathyreoïdie, hypercalciëmie en verhouding vrouwen/mannen. [S]