Zelfstudie hormonen
Inhoudsopgave
8.3 Neurotransmitter, neuromodulator of hormoon?
8.4 De belangrijkste neurotransmitters op een rij
8.8 GABA en glutamaat: rem en gas
8.9 Acetylcholine, noradrenaline en het autonome zenuwstelsel
8.10 Hormonen die op de hersenen werken
8.11 Stemming, depressie en de ‘chemische onbalans’
8.12 Leefstijl en neurotransmitters
8.13 Omstreden punten eerlijk bekeken
8.14 Onderbouwd of niet? Een overzicht
Bronnen
Over dit materiaal
Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van open leerboeken, richtlijnen en wetenschappelijke bronnen (zie Bronnen achteraan). Het is bedoeld om te leren en is geen vervanging voor medisch of psychologisch advies. Waar het bewijs voor een bewering sterk, beperkt of zwak is, staat dat erbij. Bij aanhoudende somberheid, angst of gedachten over de dood is de huisarts (of 113 Zelfmoordpreventie) het eerste aanspreekpunt.
‘Mijn serotonine is te laag.’ ‘Ik heb een dopamineverslaving aan mijn telefoon.’ ‘Geluk komt uit je darm.’ Over neurotransmitters, de signaalstoffen van het zenuwstelsel, wordt veel gezegd, op sociale media en in de supplementenwinkel. In deze les leer je wat neurotransmitters zijn, hoe ze werken en worden gemaakt, en wat er wel en niet klopt van de populaire beweringen.
In les 1 zag je dat het lichaam twee communicatiesystemen heeft. Het zenuwstelsel werkt snel en gericht: een zenuwcel geeft een signaalstof af aan één andere cel, binnen milliseconden. Het hormoonstelsel werkt langzamer en breder: een hormoon gaat via het bloed naar alle cellen met de juiste receptor. In les 1 is beloofd dat we in deze les uitgebreid terugkomen op de plek waar zenuwcellen hun signaal doorgeven: de synaps. Je zult ook zien dat de grens tussen de twee systemen minder scherp is dan het lijkt. Noradrenaline, dopamine en oxytocine zijn bijvoorbeeld zowel neurotransmitter als hormoon (les 2, 3 en 7).
Waarom hoort dit in een opleiding over hormonen? Omdat hormonen en neurotransmitters elkaar voortdurend beïnvloeden. Oestrogeen, progesteron, schildklierhormoon en cortisol werken op de hersenen en veranderen stemming, slaap en eetlust. En omgekeerd regelen neurotransmitters in de hypothalamus de afgifte van hormonen (les 3). Veel klachten waar cliënten mee komen, zoals somberheid voor de menstruatie, onrust, slecht slapen of trek, liggen precies op dat snijvlak.
Na deze les kun je:
Een zenuwcel (neuron) is gespecialiseerd in het ontvangen, verwerken en doorgeven van signalen (figuur 1). De dendrieten zijn vertakte uitlopers die signalen van andere cellen ontvangen. Het cellichaam bevat de celkern en maakt de eiwitten en signaalstoffen. Via één lange uitloper, het axon, gaat het signaal naar de axonuiteinden, waar het wordt doorgegeven aan de volgende cel. Veel axonen zijn omgeven door een isolerende laag, de myelineschede, met kleine onderbrekingen (de knopen van Ranvier). Het signaal ‘springt’ van knoop naar knoop en gaat daardoor veel sneller. De menselijke hersenen bevatten naar schatting zo’n 86 miljard zenuwcellen, en elke zenuwcel kan duizenden verbindingen hebben.
In rust is de binnenkant van een zenuwcel elektrisch negatief ten opzichte van de buitenkant: ongeveer −70 millivolt (de rustpotentiaal). Dat komt doordat de natrium-kaliumpomp, die energie (ATP) gebruikt, natrium naar buiten en kalium naar binnen pompt. Buiten de cel is de natriumconcentratie ongeveer tien keer zo hoog als binnen. Krijgt de cel genoeg prikkels binnen, zodat de spanning stijgt tot ongeveer −55 millivolt (de drempel), dan gaan natriumkanalen open. Natrium stroomt naar binnen en de spanning schiet omhoog tot ongeveer +30 millivolt. Daarna stroomt kalium naar buiten en herstelt de spanning zich. Dit alles duurt ongeveer 2 milliseconden en heet een actiepotentiaal. Het is een alles-of-nietsreactie: de drempel wordt gehaald of niet. Een sterkere prikkel geeft geen grotere, maar wel vaker een actiepotentiaal.
De plek waar een zenuwcel zijn signaal doorgeeft, heet de synaps. Er bestaan elektrische synapsen, waar de stroom rechtstreeks overspringt, maar de meeste synapsen in het lichaam zijn chemisch: het elektrische signaal wordt omgezet in een chemisch signaal, de neurotransmitter (figuur 2).
1.Een actiepotentiaal bereikt het axonuiteinde. Daar gaan calciumkanalen open en stroomt calcium de cel in.
2.Door het calcium versmelten blaasjes vol neurotransmitter met de celwand en lozen hun inhoud in de synaptische spleet, een ruimte van enkele tientallen nanometers.
3.De neurotransmitter diffundeert naar de overkant en bindt aan receptoren op de ontvangende cel. Die cel wordt daardoor geprikkeld (meer kans op een actiepotentiaal) of geremd (minder kans).
4.De neurotransmitter wordt snel weer opgeruimd, zodat het signaal kort en precies blijft.
Of een neurotransmitter prikkelt of remt, hangt niet af van de stof zelf, maar van de receptor waaraan hij bindt. Het effect hangt volledig af van de receptor. Er zijn twee hoofdtypen:
| Type | Hoe werkt het? | Snelheid | Voorbeelden |
|---|---|---|---|
| Ionkanaalreceptor (ionotroop) | de receptor is zelf een kanaal; als de neurotransmitter bindt, gaat het open en stromen ionen de cel in of uit | milliseconden | nicotinereceptor (acetylcholine), GABA-A-receptor, AMPA- en NMDA-receptor (glutamaat) |
| G-eiwitgekoppelde receptor (metabotroop) | de receptor zet via een G-eiwit een tweede boodschapper (zoals cAMP) in gang, net als bij veel hormonen (les 2); het effect wordt versterkt en houdt langer aan | honderden milliseconden tot minuten | dopamine-, serotonine- (de meeste), noradrenaline-, muscarine- (acetylcholine) en opioïdreceptoren |
Eén neurotransmitter heeft vaak meerdere receptoren. Van serotonine zijn er meer dan tien bekend en van dopamine vijf. Daardoor kan dezelfde stof op de ene plek prikkelen en op de andere remmen. Dit verklaart ook waarom medicijnen die op één receptortype werken heel specifieke effecten (en bijwerkingen) kunnen hebben.
Een neurotransmitter die blijft liggen, blijft signaal geven. Daarom wordt hij op drie manieren opgeruimd:
Wist je dat? Kaas en antidepressiva
De oudste antidepressiva, de MAO-remmers, remmen de afbraak van monoamines. Dat gaf een onverwachte bijwerking: mensen kregen na het eten van belegen kaas, gerookt vlees of tapbier gevaarlijk hoge bloeddruk. Die producten bevatten tyramine, een stof die normaal in de darm en lever door MAO wordt afgebroken en die noradrenaline uit zenuwuiteinden vrijmaakt. Wie een MAO-remmer gebruikt, krijgt daarom een dieet mee. MAO-remmers worden nu nog maar weinig gebruikt; een milde MAO-B-remmer wordt wel ingezet bij de ziekte van Parkinson.
In les 2 maakte je kennis met verschillende manieren van signaleren: endocrien (via het bloed), paracrien (naar buurcellen), autocrien (naar de cel zelf) en via neurotransmitters. De indeling is handig, maar veel stoffen passen in meer dan één hokje. Het verschil zit niet in de stof, maar in waar die wordt afgegeven en hoe ver hij reist.
| Stof | Als neurotransmitter | Als hormoon |
|---|---|---|
| Noradrenaline | door zenuwuiteinden van de sympathicus afgegeven aan organen; in de hersenen voor alertheid en aandacht | uit het bijniermerg in het bloed bij stress (les 7) |
| Adrenaline | kleine rol in de hersenen | vooral hormoon uit het bijniermerg (les 7) |
| Dopamine | beloning, motivatie, beweging | vanuit de hypothalamus via het kleine bloedvatenstelsel naar de hypofyse, waar het prolactine remt (les 3) |
| Oxytocine | in de hersenen: invloed op sociaal gedrag (bij mensen zwak onderbouwd, les 3) | uit de achterkwab van de hypofyse: weeën en toeschietreflex (les 3) |
| Somatostatine | remmende neuropeptide in de hersenen | remt groeihormoon (hypothalamus, les 3), insuline en glucagon (alvleesklier, les 6) |
| Histamine | waakzaamheid (hersenen) | plaatselijke afweerstof bij allergie en ontsteking (les 15) |
Twee begrippen helpen om de verschillen te begrijpen:
Er zijn meer dan honderd stoffen bekend die als signaalstof tussen zenuwcellen werken. Klassieke neurotransmitters worden vaak in vier groepen ingedeeld: acetylcholine, aminozuren (glutamaat, GABA, glycine), biogene amines (dopamine, noradrenaline, serotonine, histamine) en neuropeptiden. De tabel geeft de belangrijkste, met wat ze in grote lijnen doen.
| Neurotransmitter | Groep | Belangrijkste functies | Verwijzing |
|---|---|---|---|
| Glutamaat | aminozuur | belangrijkste prikkelende neurotransmitter; leren en geheugen (plasticiteit) | § 8.8 |
| GABA | aminozuur | belangrijkste remmende neurotransmitter in de hersenen | § 8.8 |
| Glycine | aminozuur | remmend, vooral in ruggenmerg en hersenstam | § 8.8 |
| Acetylcholine | eigen groep | spieren laten samentrekken; parasympathicus; aandacht en geheugen | § 8.9 |
| Dopamine | biogeen amine (catecholamine) | beloning, motivatie, leren, beweging, uitvoerende functies; remt prolactine | § 8.6 |
| Noradrenaline | biogeen amine (catecholamine) | alertheid, aandacht, stressreactie; sympathicus | § 8.9, les 7 |
| Serotonine | biogeen amine (indolamine) | stemming, angst, slaap-waakritme, eetlust, pijn; in de darm: darmbeweging | § 8.7 |
| Histamine | biogeen amine | waakzaamheid (vanuit één kerngebied in de hypothalamus) | les 9 en 15 |
| Endorfines (en enkefalines) | neuropeptide | pijnstilling, welbevinden; werken op opioïdreceptoren | § 8.12 |
| Endocannabinoïden (anandamide, 2-AG) | vetachtige stoffen | remmen de afgifte van andere neurotransmitters; pijn, eetlust, stress | § 8.12 |
| Adenosine | nucleoside | stapelt op tijdens het wakker zijn en bevordert slaperigheid; cafeïne blokkeert de receptor | § 8.12, les 9 |
Wist je dat? Endocannabinoïden werken ‘achteruit’
De meeste neurotransmitters gaan van het zenduiteinde naar de ontvangende cel. Endocannabinoïden doen het omgekeerd: de ontvangende cel maakt ze op het moment dat hij sterk geprikkeld wordt, en ze binden aan CB1-receptoren op het zenduiteinde. Zo vraagt de ontvangende cel als het ware om ‘minder’. De werkzame stof THC uit cannabis werkt op dezelfde receptor; daarom geeft cannabis onder meer trek (‘de vreetkick’).
Neurotransmitters worden in het lichaam gemaakt uit gewone bouwstoffen uit de voeding (figuur 3). Dat is de basis van veel supplementenclaims: ‘neem de grondstof, dan maak je meer serotonine of dopamine’. Om die claims te kunnen beoordelen, is het nodig om de routes te kennen.
Bij verschillende stappen zijn cofactoren nodig: onder meer vitamine B6 (bij de omzetting van L-dopa in dopamine, van 5-HTP in serotonine en van glutamaat in GABA), ijzer en een van foliumzuur afgeleide cofactor (bij de eerste stap), en vitamine C (bij de omzetting van dopamine in noradrenaline). Een ernstig tekort aan zulke stoffen kan de aanmaak verstoren. Dat is één van de redenen waarom bijvoorbeeld bloedarmoede door ijzertekort en een tekort aan B-vitamines samen kunnen gaan met moeheid en somberheid.
Het lijkt logisch: eet meer tyrosine of tryptofaan, en je maakt meer dopamine of serotonine. In de praktijk is het ingewikkelder:
Dopamine wordt gemaakt in een paar kleine gebieden in de middenhersenen en de hypothalamus, maar de uitlopers van die cellen reiken door grote delen van de hersenen. Drie routes zijn belangrijk:
| Route | Functie | Als het misgaat |
|---|---|---|
| Van de substantia nigra naar het striatum | beweging soepel starten en sturen | ziekte van Parkinson: trillen, stijfheid, traagheid |
| Van de middenhersenen naar het beloningssysteem (nucleus accumbens) en de prefrontale schors | motivatie, beloning, leren wat de moeite waard is, plannen | betrokken bij verslaving, ADHD en psychose |
| Van de hypothalamus naar de hypofyse | remt de afgifte van prolactine (les 3) | dopamineblokkerende medicijnen kunnen prolactine verhogen |
Dopamine wordt vaak het ‘gelukshormoon’ of ‘plezierstofje’ genoemd. Dat is te simpel. De Amerikaanse onderzoeker Kent Berridge liet in dierproeven zien dat dopamine vooral nodig is voor willen (in het Engels wanting: het verlangen, de motivatie om ergens voor te gaan) en veel minder voor genieten (liking: het plezier zelf). Het genieten loopt meer via kleine ‘genotsplekken’ in de hersenen met opioïden en endocannabinoïden. Dopamine reageert bovendien sterk op verwachting en verrassing: het stijgt als iets beter uitpakt dan verwacht, en daalt als een verwachte beloning uitblijft. Zo helpt het de hersenen leren wat de moeite waard is.
Dit onderscheid helpt om verslaving te begrijpen. Bij verslaving kan het ‘willen’ steeds sterker worden, terwijl het ‘genieten’ gelijk blijft of afneemt: iemand verlangt hevig naar het middel, zonder dat het nog veel plezier geeft. Middelen als alcohol, nicotine, cocaïne en opioïden verhogen allemaal, direct of indirect, de dopamine in het beloningssysteem.
Bij de ziekte van Parkinson gaan de dopaminemakende cellen in de substantia nigra langzaam verloren. De bewegingsklachten (trillen in rust, stijfheid, traag bewegen, kleine passen) ontstaan pas als een groot deel van die cellen al verdwenen is. Vaak gaan er jaren andere klachten aan vooraf, zoals verminderde reuk, verstopping, somberheid en het ‘uitleven’ van dromen. De behandeling met L-dopa (samen met een stof die de afbraak buiten de hersenen remt) vult de dopamine aan, maar herstelt de cellen niet. Deze kennis is nodig om de risico’s van de ‘dopamineboon’ mucuna te begrijpen (§ 8.13).
In les 3 zag je dat de hypofyse prolactine maakt, en dat de hypothalamus dat voortdurend remt met dopamine. Dit is een uitzondering op de regel dat de hypothalamus de hypofyse aanzet. Medicijnen die dopaminereceptoren blokkeren, zoals veel antipsychotica en sommige middelen tegen misselijkheid (metoclopramide, domperidon), kunnen daardoor het prolactine verhogen. Dat kan leiden tot uitblijven van de menstruatie, melkafscheiding uit de tepels, minder zin in seks en bij mannen erectieproblemen (les 11 en 12). Omgekeerd worden dopamine-achtige medicijnen gebruikt om een te hoog prolactine te verlagen, bijvoorbeeld bij een prolactinoom.
Serotonine (5-hydroxytryptamine, 5-HT) wordt in de hersenen gemaakt in een groep kernen in de hersenstam, de raphekernen. Van daaruit gaan uitlopers naar bijna de hele hersenen. Serotonine is betrokken bij stemming, angst, impulscontrole, het slaap-waakritme, eetlust en pijn. Net als dopamine is het eerder een ‘instelknop’ voor veel systemen dan een stof met één functie.
Ongeveer 90 tot 95 procent van al het serotonine in het lichaam wordt niet in de hersenen gemaakt, maar in de darm, door speciale cellen in het darmslijmvlies (enterochromaffiene cellen). Daar regelt het de darmbeweging, de afgifte van darmsappen en misselijkheid: anti-misselijkheidsmiddelen bij chemotherapie blokkeren een serotoninereceptor. Bloedplaatjes nemen serotonine uit het bloed op en slaan het op; bij een wondje geven ze het af, waardoor het bloedvaatje samentrekt.
Het belangrijke punt: serotonine kan de bloed-hersenbarrière niet passeren (figuur 6). Het serotonine in de darm en het serotonine in de hersenen zijn dus twee gescheiden voorraden. Een minderheid van de onderzoekers vermoedt dat de barrière bij zeer hoge spiegels iets doorlaatbaarder wordt, maar dat is speculatief. De uitspraak ‘95 procent van je geluksstof wordt in je darm gemaakt, dus geluk komt uit je darm’ klopt dus niet letterlijk. De darm en de hersenen beïnvloeden elkaar wel, maar via andere wegen: de nervus vagus, afweerstoffen en stofwisselingsproducten van darmbacteriën. Dat is de darm-hersen-as, die in les 10 aan bod komt.
Te veel serotonerge werking kan gevaarlijk zijn. Het serotoninesyndroom ontstaat meestal als iemand twee of meer middelen combineert die het serotonine verhogen, of de dosis verhoogt. Klachten zijn onrust, verwardheid, zweten, trillen, spiertrekkingen, diarree, snelle hartslag en koorts. Lichte vormen gaan vanzelf over na het stoppen van het middel, ernstige vormen zijn levensbedreigend. Bekende combinaties zijn een SSRI met sint-janskruid, 5-HTP of tryptofaan, het pijnstillende middel tramadol, migrainemiddelen (triptanen) of de drug xtc. Dit is een belangrijke reden om nooit zelf supplementen die op serotonine werken te combineren met antidepressiva.
Waar dopamine en serotonine de ‘instelknoppen’ zijn, doen glutamaat en GABA het eigenlijke werk van prikkelen en remmen. Glutamaat is de belangrijkste prikkelende neurotransmitter en speelt een centrale rol bij leren en geheugen: verbindingen die vaak worden gebruikt, worden sterker (plasticiteit). GABA is de belangrijkste remmende neurotransmitter in de hersenen; in het ruggenmerg doet glycine dat werk ook. De hersenen werken alleen goed als gas en rem in evenwicht zijn (figuur 4).
Veel middelen die ‘rustig’ of ‘suf’ maken, versterken de GABA-rem:
GABA wordt ook verkocht als supplement ‘voor ontspanning en slaap’. Het probleem is dat onduidelijk is of GABA uit de mond de hersenen bereikt; de meeste onderzoekers gaan ervan uit dat het de bloed-hersenbarrière nauwelijks passeert. Een overzicht (Boonstra et al., 2015) concludeerde dat het bewijs beperkt en tegenstrijdig is, en dat de positieve onderzoeken vooral kwamen van onderzoekers met banden met de fabrikant. Mocht er een effect zijn, dan loopt het mogelijk via de zenuwen in de darm. Bewijs voor een kalmerend effect: zwak. (Zie ook § 8.13.)
Acetylcholine was de eerste neurotransmitter die werd ontdekt. Het heeft drie hoofdtaken:
Het autonome zenuwstelsel regelt de organen buiten je wil om: hartslag, bloeddruk, ademhaling, vertering, zweten, de blaas en seksuele reacties. Het heeft twee takken die vaak tegengesteld werken (figuur 5). In les 7 zag je de sympathicus al als de snelle route van de stressreactie.
| Sympathicus | Parasympathicus | |
|---|---|---|
| Bijnaam | ‘vechten of vluchten’ | ‘rust en vertering’ |
| Vertrekt uit | borst- en lendendeel van het ruggenmerg | hersenstam en onderste deel van het ruggenmerg |
| Eerste overdracht (in de zenuwknoop) | acetylcholine (nicotinereceptor) | acetylcholine (nicotinereceptor) |
| Overdracht op het orgaan | meestal noradrenaline (alfa- en bètareceptoren); zweetklieren krijgen acetylcholine | acetylcholine (muscarinereceptoren) |
| Bijzonderheid | het bijniermerg krijgt rechtstreeks een zenuw en geeft adrenaline en noradrenaline af aan het bloed (les 7) | de nervus vagus (tiende hersenzenuw) bedient hart, longen en een groot deel van het spijsverteringskanaal |
De bètareceptoren voor noradrenaline en adrenaline zijn het aangrijpingspunt van bètablokkers, die de hartslag verlagen, en van luchtwegverwijders bij astma. In les 7 zag je dat herstel na stress afhangt van de parasympathicus. De nervus vagus vormt ook een belangrijke verbinding tussen darm en hersenen; ongeveer 80 procent van zijn vezels gaat van de organen naar de hersenen. Daarover meer in les 10.
Let op: ‘vagus hacks’
Op sociale media worden allerlei ‘vagus hacks’ aangeprezen, zoals gorgelen, neuriën of koud water in het gezicht, om de nervus vagus te ‘resetten’. Rustig en langzaam ademen verlaagt op korte termijn aantoonbaar de hartslag, en koud water op het gezicht lokt een duikreflex uit. Maar beweringen dat zulke trucs ontsteking, darmklachten of hormoonproblemen genezen, zijn niet onderbouwd. Elektrische vagusstimulatie bestaat wel als medische behandeling, bijvoorbeeld bij sommige vormen van epilepsie, maar dat is iets heel anders.
De hersenen zitten vol hormoonreceptoren. Veel hormonen die je in eerdere lessen leerde kennen, hebben daardoor ook invloed op stemming, slaap, eetlust en denken.
| Hormoon | Effect op de hersenen | Les |
|---|---|---|
| Oestrogeen | beïnvloedt de serotonine-, dopamine- en noradrenalinesystemen en het geheugen; schommelingen en dalingen (voor de menstruatie, na de bevalling, in de overgang) kunnen bij gevoelige vrouwen stemmingsklachten geven | 11, 17 |
| Progesteron en allopregnanolon | allopregnanolon versterkt de GABA-rem: kalmerend en slaapbevorderend; schommelingen spelen een rol bij PMDD en postpartumdepressie | hieronder, 11, 18 |
| Testosteron | libido, energie en mogelijk stemming bij mannen en vrouwen; wordt in de hersenen deels omgezet in oestrogeen | 12, 20 |
| Schildklierhormoon | nodig voor de ontwikkeling van de hersenen; te traag: somber, traag denken; te snel: onrust, angst, slecht slapen | 4 |
| Cortisol | alertheid en geheugen bij stress; langdurig hoog (Cushing, hoge doses prednison) kan somberheid, slapeloosheid of juist opgewektheid geven | 7 |
| Insuline en leptine | signaleren in de hypothalamus hoeveel energie er is en remmen de eetlust | 6, 13 |
| Ghreline | hongerhormoon uit de maag, werkt op de hypothalamus en het beloningssysteem | 13 |
Bij elke cliënt met somberheid, angst of slaapproblemen is het daarom zinvol om te weten dat ook lichamelijke en hormonale oorzaken een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld een te traag of te snel werkende schildklier. Het uitzoeken daarvan is werk voor de huisarts.
Progesteron wordt in de hersenen (en elders) deels omgezet in allopregnanolon, een neurosteroïd dat de GABA-A-receptor gevoeliger maakt voor GABA (figuur 7). Het werkt dus een beetje zoals een benzodiazepine. In de tweede helft van de cyclus stijgen progesteron en allopregnanolon, en voor de menstruatie dalen ze weer.
Bij de premenstruele dysfore stoornis (PMDD), een ernstige vorm van premenstruele klachten met somberheid, prikkelbaarheid en angst, zijn de hormoonspiegels niet afwijkend. Een klassiek experiment (Schmidt et al., 1998, NEJM) liet zien wat er wel aan de hand is. Bij vrouwen met PMDD werden de eierstokken tijdelijk ‘stilgelegd’ met een GnRH-agonist (les 3); hun klachten verdwenen. Kregen ze daarna normale hoeveelheden oestradiol of progesteron terug, dan kwamen de klachten terug. Bij vrouwen zonder PMDD gebeurde dat niet. De conclusie: het probleem is niet een ‘te veel’ of ‘te weinig’ hormoon, maar een andere gevoeligheid van de hersenen voor normale schommelingen. Onderzoek wijst erop dat de GABA-A-receptor bij PMDD anders reageert op allopregnanolon. (Overzichtsartikel en Schmidt et al. via samenvattingen en secundaire bronnen.)
Dit is een goed voorbeeld van een belangrijk principe uit les 2: de reactie op een hormoon hangt niet alleen af van de hoeveelheid, maar ook van de receptor. Het verklaart ook waarom bloedtesten van hormonen bij PMS en PMDD weinig zeggen. PMS en PMDD worden verder behandeld in les 11.
Ook na de bevalling speelt dit mechanisme een rol. Tijdens de zwangerschap zijn progesteron en allopregnanolon heel hoog; na de geboorte van de placenta vallen ze binnen enkele dagen weg (les 18). Op dit inzicht is een nieuw medicijn gebaseerd: zuranolon (Zurzuvae), een neuroactief steroïd dat de GABA-A-receptor versterkt. Het wordt 14 dagen lang eenmaal per dag ’s avonds ingenomen. In september 2025 kreeg het als eerste middel in Europa een toelating speciaal voor postpartumdepressie. In het hoofdonderzoek (SKYLARK) verbeterden de klachten vanaf dag 3 meer dan met placebo, en het verschil was er nog op dag 45. Het is een receptmiddel, met slaperigheid als belangrijke bijwerking; het laat vooral zien hoe hormonen en neurotransmitters samenwerken.
Depressie is een van de meest voorkomende psychische aandoeningen. Volgens het grote Nederlandse bevolkingsonderzoek NEMESIS-3 (Trimbos-instituut, 2019-2022) had 9,3 procent van de volwassenen van 18 tot 65 jaar in het afgelopen jaar een depressieve stoornis; in 2007-2009 was dat 5,1 procent. Van de mensen van 18 tot 75 jaar had 9,8 procent in het afgelopen jaar een stemmingsstoornis: 8,1 procent van de mannen en 11,5 procent van de vrouwen. Jongeren van 18 tot 24 jaar scoorden het hoogst (13,3 procent), 65- tot 75-jarigen het laagst (4,9 procent). Als coach of gewichtsconsulent zul je dus regelmatig mensen spreken die somber zijn of een depressie hebben (gehad).
Vanaf de jaren negentig werd depressie vaak uitgelegd als een ‘chemische onbalans’, een tekort aan serotonine. Die uitleg kwam deels uit de reclame voor SSRI’s en werd breed overgenomen. Hoe staat het ervoor?
Wat kun je hieruit meenemen? Beide kampen zijn het erover eens dat depressie niet door één stof wordt verklaard. ‘Depressie is een serotoninetekort’ is te simpel. Depressie ontstaat uit een combinatie van erfelijke aanleg, ingrijpende gebeurtenissen, langdurige stress (les 7), lichamelijke ziekte, slaap, sociale omstandigheden en manieren van denken, met veranderingen in veel hersensystemen tegelijk. En dat een middel helpt, bewijst niet dat het om een tekort ging: paracetamol helpt tegen hoofdpijn, maar hoofdpijn is geen paracetamoltekort. (Synthese van de bronnen hierboven.)
Let op: twijfel over de theorie is geen reden om te stoppen
De discussie gaat over waarom antidepressiva werken, niet over of ze bij een deel van de mensen helpen. Cliënten die het nieuws over Moncrieff lezen, concluderen soms dat hun medicijn ‘nergens op gebaseerd is’ en stoppen ermee. Plotseling stoppen kan onttrekkingsverschijnselen geven (duizeligheid, ‘elektrische schokjes’, prikkelbaarheid, griepachtige klachten) en de kans op terugval vergroten. Afbouwen gebeurt altijd in overleg met de huisarts of psychiater. Jij adviseert hier nooit over.
SSRI’s (selectieve serotonineheropnameremmers), zoals sertraline, citalopram, escitalopram, fluoxetine en paroxetine, blokkeren de heropnamepomp voor serotonine (figuur 2). Het serotonine in de synaps stijgt al binnen enkele uren, maar het effect op de stemming komt pas na enkele weken. Dat wijst erop dat niet het serotonine zelf, maar de aanpassingen die daarna in de hersenen volgen (in receptoren, in de groei van verbindingen en in hoe emotionele informatie wordt verwerkt) het eigenlijke werk doen.
Volgens de multidisciplinaire Richtlijn Depressie (2024) en de NHG-Standaard hebben SSRI’s de voorkeur als iemand met medicijnen wordt behandeld. Als er na 4 tot 6 weken bij een goede dosis geen effect is, wordt overgestapt. Bij ouderen (vanaf 60 jaar) noemt de richtlijn escitalopram, sertraline, duloxetine of mirtazapine. Een nieuwe module over suïcidaliteit benadrukt dat vragen naar gedachten over de dood het risico niet verhoogt. Bij lichtere klachten begint de huisarts meestal niet met medicijnen, maar met voorlichting, steun, activiteiten en bijvoorbeeld bewegen of begeleide zelfhulp; bij ernstigere depressie zijn psychotherapie en/of medicijnen aangewezen.
Twee bijwerkingen zijn voor jou als coach extra belangrijk:
Je kunt neurotransmitters niet meten in het dagelijks leven, maar veel leefstijlfactoren grijpen er wel op in. Hieronder de belangrijkste, met de sterkte van het bewijs.
Bewegen werkt aantoonbaar tegen somberheid, angst en stress; in les 7 zag je een overzicht van 97 reviews (Singh et al., 2023) met middelgrote effecten. Maar waar komt het goede gevoel na het hardlopen vandaan? Lang was het antwoord: endorfines, de lichaamseigen opioïden. Nieuwer onderzoek maakt dat onwaarschijnlijk:
Conclusie: endorfines zijn waarschijnlijk niet de (hoofd)verklaring voor de runner’s high; endocannabinoïden spelen een rol. Bewijs: beperkt tot matig (kleine onderzoeken, deels bij dieren). Voor de praktijk maakt het weinig uit: bewegen helpt, ongeacht welke stof het doet.
Er wordt veel gezegd over sociale media en ‘dopaminekicks’. Wat klopt ervan? Het principe is plausibel: apps zijn ontworpen met onvoorspelbare beloningen (een like, een nieuw bericht), en het dopaminesysteem reageert sterk op onvoorspelbare beloningen (§ 8.6.1). Maar dat sociale media de dopamine meetbaar ‘uitputten’ of het beloningssysteem ‘beschadigen’, is niet aangetoond. Er is geen goede manier om bij een individu ‘te veel dopamine’ te meten, en de onderzoeken naar schermgebruik en stemming zijn overwegend observationeel, met kleine en wisselende verbanden. Het is zinvol om met een cliënt te kijken naar wat schermgebruik doet met slaap, bewegen, eetmomenten en aandacht. Het woord ‘dopamine’ is daarvoor niet nodig.
Sociale steun, ergens bij horen en dingen doen die je belangrijk vindt, beschermen tegen somberheid en stress. Daarbij spelen waarschijnlijk veel stoffen een rol (onder meer endorfines, oxytocine en dopamine), maar het effect is vooral in gedrag en ervaring onderzocht, niet in neurotransmitters. Bij depressie is gedragsactivering (stapsgewijs weer activiteiten oppakken die plezier of voldoening geven) een onderbouwde behandeling.
Sommige laboratoria en therapeuten bieden urinetests aan die serotonine, dopamine, GABA en andere neurotransmitters meten, met een rapport over ‘tekorten’ en een supplementenadvies. Het probleem: neurotransmitters worden in het hele lichaam gemaakt, het meeste niet in de hersenen (serotonine vooral in de darm, dopamine onder meer in de nieren). Wat in de urine terechtkomt, weerspiegelt dus vooral wat de darm en de nieren doen, en daarnaast wat iemand gegeten heeft. Een analyse van dit soort tests (Hinz et al., 2010) vond dat de gemeten waarden het model ‘urine laat zien wat er in je hersenen gebeurt’ niet ondersteunen. Bewijs dat zulke tests iets zeggen over je hersenen: zwak (bewering onjuist). Erkende urinetests op afbraakproducten van adrenaline en noradrenaline bestaan wel, maar die worden gebruikt om zeldzame tumoren op te sporen (zoals een feochromocytoom, les 7), niet om stemming te beoordelen.
| Supplement | Wat zegt het onderzoek? | Bewijs |
|---|---|---|
| 5-HTP en tryptofaan (‘voor serotonine’) | Cochrane-review: van 108 gescreende onderzoeken was de kwaliteit te laag voor een sterke conclusie; klachten daalden mogelijk meer dan bij placebo. Bijwerkingen: duizeligheid, misselijkheid, diarree. In 1989 werd een tryptofaansupplement in verband gebracht met het ernstige eosinofilie-myalgiesyndroom, waarschijnlijk door een verontreinigde partij. Risico op serotoninesyndroom in combinatie met antidepressiva. | Zwak |
| L-tyrosine (‘voor dopamine en focus’) | effect vooral in situaties waarin catecholamines ‘opraken’, zoals acute stress door slaaptekort, kou of zware militaire training; geen bewezen behandeling van een aandoening (Jongkees et al., 2015) | Beperkt (alleen bij acute stress) |
| GABA | onduidelijk of het de hersenen bereikt; positief bewijs vooral van onderzoekers met belangen bij de fabrikant (Boonstra et al., 2015) | Zwak |
| L-theanine (uit thee) | stress: 5 kleine gerandomiseerde onderzoeken (104 deelnemers), waarvan 4 positief bij 200 tot 400 mg; slaap: 19 onderzoeken (897 deelnemers), vooral subjectief beter slapen, vaak met combinatieproducten | Beperkt |
Een algemene les uit § 8.5: de aanmaak van neurotransmitters is goed geregeld, en meer grondstof betekent niet vanzelf meer werkzame neurotransmitter op de juiste plek.
Sint-janskruid (Hypericum perforatum) is het best onderzochte kruidenmiddel tegen depressie. Een Cochrane-review (Linde et al., 2008; 29 onderzoeken, 5489 patiënten) vond dat het bij lichte tot matige depressie beter werkte dan placebo, ongeveer even goed als standaardantidepressiva, met minder mensen die stopten vanwege bijwerkingen. Het bewijs voor een effect is daarmee redelijk.
Maar sint-janskruid heeft een groot nadeel: het zet in de lever en de darm het enzym CYP3A4 en een transporteiwit aan, waardoor veel medicijnen sneller worden afgebroken (les 5). Daardoor kunnen de anticonceptiepil (onbedoelde zwangerschap), bloedverdunners, middelen tegen epilepsie, hiv-remmers, sommige kankermiddelen en middelen na een transplantatie minder goed werken. Samen met een SSRI geeft het risico op het serotoninesyndroom. Bewijs voor die interacties: sterk. Daarom geldt: ‘het werkt’ betekent ook ‘het is een echt middel, met echte risico’s’. Gebruik alleen na overleg met huisarts of apotheker.
Bij een ‘dopaminedetox’ of ‘dopamine fasting’ stopt iemand een tijd met alles wat prettig is: telefoon, social media, lekker eten, muziek, soms zelfs praten. Het idee: je dopamine ‘resetten’ zodat gewone dingen weer leuk worden. De bedenker, de Amerikaanse psychiater Cameron Sepah, bedoelde iets bescheideners: tijdelijk minder toegeven aan probleemgedrag (zoals eindeloos scrollen), een techniek uit de gedragstherapie. Dopamine is geen giftige stof die je kunt ‘uitdrijven’, en ‘vasten’ van prettige dingen verlaagt de dopamine niet op een manier die iets ‘reset’. Extreme varianten kunnen zelfs schaden, bijvoorbeeld door eenzaamheid of door te weinig te eten. Bewijs voor het mechanisme: geen; het gedragsdeel (bewuster omgaan met wat je veel doet) is wel zinnig.
Zoals je in § 8.7 zag, wordt 90 tot 95 procent van het serotonine in de darm gemaakt, maar het bereikt de hersenen niet. De letterlijke bewering klopt dus niet. Dat de darm en de hersenen elkaar beïnvloeden, is wel waar (via zenuwen, afweer en stofwisselingsproducten), maar de meeste kennis daarover komt uit dieronderzoek en kleine studies bij mensen. Dit komt uitgebreid aan bod in les 10. Bewijs tegen de letterlijke claim: sterk.
Mucuna pruriens is een tropische peulvrucht waarvan de zaden van nature L-dopa bevatten, ongeveer 4 tot 6 procent; extracten bevatten vaak 15 tot 20 procent. Supplementen worden online verkocht voor ‘motivatie’, ‘stemming’, ‘libido’ of ‘testosteron’. In onderzoek naar zulke producten bleek de werkelijke hoeveelheid L-dopa soms vele malen hoger dan op het etiket stond (in één analyse twee tot ruim twintig keer zoveel).
Het RIVM deed in 2024 een risicobeoordeling van supplementen met mucunazaadextract. Bij het aanbevolen gebruik krijgt iemand evenveel of meer L-dopa binnen dan de startdosis voor mensen met Parkinson. Bijwerkingen kunnen dus lijken op die van parkinsonmedicijnen: maag- en darmklachten, onwillekeurige bewegingen (dyskinesie) en psychische klachten. Er zijn ook aanwijzingen voor schadelijke effecten op lever, nieren en het ongeboren kind; een veilige dosis kon niet worden vastgesteld. Het RIVM adviseert uit voorzorg om deze middelen niet te gebruiken tijdens zwangerschap en borstvoeding of bij lever- of nierproblemen, in andere gevallen voorzichtig te zijn, en bij medicijngebruik eerst met arts of apotheker te overleggen. (RIVM-rapport 2024-0087, samenvatting.) Gevaarlijke combinaties zijn onder meer met parkinsonmedicijnen, MAO-remmers en antipsychotica. Bewijs voor een voordeel bij gezonde mensen: zwak. Het risico is reëel.
Kader: hoe reageer je op een supplementvraag?
Een cliënt die vraagt naar 5-HTP, GABA of mucuna, zoekt meestal een oplossing voor somberheid, onrust of slecht slapen. Neem die klacht serieus en vraag door: hoe lang al, hoe ernstig, gebruikt iemand medicijnen? Leg uit wat het onderzoek laat zien, inclusief de risico’s. Verwijs bij medicijngebruik (vooral antidepressiva, de pil, bloedverdunners of parkinsonmedicijnen) altijd naar huisarts of apotheker. En breng het gesprek terug naar wat wel onderbouwd is: slaap, bewegen, daglicht, minder alcohol, sociale contacten en, waar nodig, professionele hulp.
| Bewering | Wat zegt het onderzoek? | Bewijs |
|---|---|---|
| Zenuwcellen geven signalen door met neurotransmitters in synapsen | vaste fysiologie | Sterk |
| Of een neurotransmitter prikkelt of remt, hangt af van de receptor | vaste fysiologie | Sterk |
| Depressie is een serotoninetekort | geen consistent bewijs voor een tekort; serotoninesysteem wel betrokken; depressie heeft vele oorzaken | Zwak (te simpel) |
| SSRI’s kunnen seksuele bijwerkingen geven | meta-analyse: veel vaker dan bij placebo als er actief naar gevraagd wordt | Sterk |
| Serotonine uit de darm maakt je gelukkig | darmserotonine passeert de bloed-hersenbarrière niet | Zwak (bewering onjuist) |
| Dopamine is het ‘plezierstofje’ | dopamine gaat vooral over willen, motivatie en leren; genieten loopt meer via opioïden en endocannabinoïden | Zwak (te simpel) |
| De runner’s high komt door endorfines | bij muizen en mensen: waarschijnlijk vooral endocannabinoïden; opioïdblokker hief het effect niet op | Zwak (bewering waarschijnlijk onjuist) |
| Bewegen verbetert de stemming | overzicht van 97 reviews (les 7) | Sterk |
| Cafeïne houdt je wakker door adenosine te blokkeren | vaste farmacologie | Sterk |
| Een urinetest meet je hersenneurotransmitters | neurotransmitters komen vooral uit darm en nieren; model niet ondersteund | Zwak (bewering onjuist) |
| 5-HTP of tryptofaan helpt tegen depressie | Cochrane: onderzoeken van te lage kwaliteit | Zwak |
| GABA-supplementen kalmeren | onduidelijk of GABA de hersenen bereikt | Zwak |
| L-theanine ontspant | kleine onderzoeken, vaak positief | Beperkt |
| L-tyrosine verbetert prestaties | alleen bij acute zware stress | Beperkt |
| Sint-janskruid werkt tegen lichte tot matige depressie | Cochrane: beter dan placebo, vergelijkbaar met antidepressiva; maar veel interacties | Redelijk (effect), sterk (interacties) |
| Een dopaminedetox reset je beloningssysteem | geen bewijs voor het mechanisme | Zwak |
| Mucuna verbetert motivatie en stemming | geen goed onderzoek bij gezonde mensen; RIVM 2024: L-dopa op medicijnniveau, risico’s | Zwak, met risico |
| Progesteronschommelingen beïnvloeden de stemming via allopregnanolon | experimenteel onderzoek bij PMDD; nieuw medicijn bij postpartumdepressie | Matig tot sterk |
Als (aankomend) hormoon- of gewichtscoach kom je regelmatig mensen tegen met somberheid, angst, onrust of een verslavingsprobleem. Je rol: uitleggen wat er in het lichaam gebeurt, beweringen over neurotransmitters en supplementen helpen toetsen, en samen werken aan slaap, bewegen, daglicht, alcohol en structuur. Je bent geen psycholoog, psychiater of arts: je stelt geen diagnose (zoals depressie of PMDD), je interpreteert geen neurotransmittertests, en je adviseert nooit om antidepressiva of andere psychische medicijnen af te bouwen, te stoppen of te combineren met supplementen. Bij de volgende signalen verwijs je door:
| Signaal | Waarom doorverwijzen? |
|---|---|
| Gedachten over de dood of zelfdoding | direct: 113 Zelfmoordpreventie (0800-0113 of 113.nl) of bij acuut gevaar 112; daarnaast de huisarts. Vragen naar zulke gedachten is veilig en verhoogt het risico niet |
| Somberheid of verlies van interesse en plezier die langer dan twee weken aanhoudt, met moeite om te functioneren | mogelijke depressie; huisarts (en POH-GGZ) |
| Psychotische klachten (stemmen horen, achtervolgd voelen, verwarring) of een periode van extreem verhoogde stemming, weinig slaap en ondoordachte beslissingen | mogelijke psychose of manie: dezelfde dag huisarts of huisartsenpost |
| Problemen met alcohol, drugs, slaap- of kalmeringsmiddelen of gokken | huisarts of verslavingszorg; stoppen met veel alcohol of benzodiazepines kan gevaarlijk zijn zonder begeleiding |
| Iemand wil stoppen met een antidepressivum of ander psychisch medicijn, of het combineren met sint-janskruid, 5-HTP, tryptofaan of mucuna | risico op onttrekking, terugval of serotoninesyndroom; voorschrijvend arts of apotheker |
| Gebruik van sint-janskruid samen met de pil, bloedverdunners of andere vaste medicijnen | interacties; apotheker of huisarts |
| Onrust, zweten, trillen, spiertrekkingen en koorts na het starten of combineren van serotonerge middelen | mogelijk serotoninesyndroom: dezelfde dag huisarts, bij ernstige klachten 112 |
| Ernstige stemmingsklachten die elke maand in de dagen voor de menstruatie terugkomen | mogelijk PMDD (les 11); huisarts |
| Somberheid in de eerste maanden na een bevalling | mogelijke postpartumdepressie; huisarts of verloskundige (les 18) |
| Somberheid samen met lichamelijke veranderingen (moeheid, gewichtsverandering, kouwelijkheid of juist hartkloppingen) | laten uitzoeken op lichamelijke oorzaken, zoals de schildklier (les 4); huisarts |
| Nieuw ontstane trillingen, stijfheid of trager bewegen | mogelijke neurologische oorzaak; huisarts |
Wat je wel kunt doen: luisteren, uitleggen hoe hormonen en neurotransmitters samenwerken, mythes ontkrachten zonder iemand dom te laten voelen, helpen met haalbare stappen rond slaap, bewegen, daglicht, alcohol en structuur, en cliënten helpen het gesprek met de huisarts voor te bereiden.
Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.
1.Wat is het verschil tussen de manier waarop het zenuwstelsel en het hormoonstelsel signalen doorgeven? Noem twee verschillen.
2.Beschrijf de bouw van een zenuwcel. Wat is de functie van de myelineschede?
3.Wat zijn de rustpotentiaal, de drempel en de piek van een actiepotentiaal (in millivolt)? Waarom heet een actiepotentiaal een alles-of-nietsreactie?
4.Beschrijf in vier stappen wat er in een chemische synaps gebeurt. Welke rol speelt calcium?
5.Wat is het verschil tussen een ionkanaalreceptor en een G-eiwitgekoppelde receptor? Geef van elk een voorbeeld.
6.Waarom kan dezelfde neurotransmitter op de ene plek prikkelen en op de andere remmen?
7.Noem de drie manieren waarop een neurotransmitter wordt opgeruimd, met bij elke manier een voorbeeld.
8.Hoe werkt een SSRI in de synaps?
9.Waarom moeten mensen die een MAO-remmer gebruiken oppassen met belegen kaas?
10.Noem drie stoffen die zowel neurotransmitter als hormoon zijn, en beschrijf bij elk beide rollen.
11.Wat is een neuromodulator? En wat is een neurosteroïd? Geef van elk een voorbeeld.
12.Noem de belangrijkste prikkelende en de belangrijkste remmende neurotransmitter in de hersenen.
13.Beschrijf de aanmaakroute van adrenaline, vanaf het aminozuur. Welke stap is snelheidsbepalend?
14.Beschrijf de aanmaakroute van melatonine. In welke klier vindt de laatste stap plaats?
15.Geef drie redenen waarom extra tyrosine of tryptofaan niet automatisch meer dopamine of serotonine in de hersenen oplevert.
16.Waarom krijgen mensen met Parkinson L-dopa en niet gewoon dopamine?
17.Wat is het verschil tussen ‘willen’ en ‘genieten’ volgens het onderzoek van Berridge? Wat betekent dat voor het begrip verslaving?
18.Hoe regelt dopamine de afgifte van prolactine, en wat kan er gebeuren bij het gebruik van een antipsychoticum?
19.Waar wordt het meeste serotonine in het lichaam gemaakt? Waarom betekent dat niet dat ‘geluk uit je darm komt’?
20.Wat is het serotoninesyndroom? Noem drie combinaties van middelen die het kunnen veroorzaken.
21.Leg uit hoe alcohol werkt op GABA en glutamaat, en waarom plotseling stoppen na langdurig veel drinken gevaarlijk kan zijn.
22.Welke neurotransmitters gebruiken de sympathicus en de parasympathicus op de organen? Welke zenuw is de belangrijkste van de parasympathicus?
23.Noem vijf hormonen die op de hersenen werken, met bij elk een effect.
24.Wat liet het experiment van Schmidt et al. (1998) zien over PMDD? Welke rol speelt allopregnanolon?
25.Wat is zuranolon, en waarom past het bij de kennis over allopregnanolon?
26.Hoe vaak komt depressie in Nederland voor volgens NEMESIS-3? Welke verschillen zijn er tussen mannen en vrouwen en tussen leeftijdsgroepen?
27.Wat concludeerden Moncrieff et al. (2022), en wat was de kritiek van Jauhar et al. (2023)? Wat is de belangrijkste les voor de praktijk?
28.Waarom duurt het weken voordat een SSRI werkt, terwijl het serotonine in de synaps al na uren stijgt?
29.Waar komt de runner’s high waarschijnlijk vandaan? Beschrijf kort de twee onderzoeken uit § 8.12.1.
30.Hoe werkt cafeïne, en waarom kan een kop koffie aan het eind van de middag de slaap verstoren?
31.Waarom zegt een urinetest op neurotransmitters weinig over de hersenen?
32.Wat zegt de Cochrane-review over sint-janskruid, en waarom is het toch een riskant middel?
33.Wat is mucuna, wat concludeerde het RIVM in 2024, en voor wie raadt het RIVM het gebruik af?
34.Noem vijf signalen waarbij je als coach doorverwijst, passend bij deze les.
Tip
Teken figuur 2 (de synaps) zelf na zonder te kijken. Zet er met een andere kleur bij waar een SSRI, een MAO-remmer, een benzodiazepine (bij GABA) en cafeïne (bij adenosine) ingrijpen. Teken daarna figuur 3 na en schrijf bij elke stap waarom ‘meer grondstof’ niet vanzelf ‘meer neurotransmitter’ betekent.
Kies bij elke vraag het beste antwoord. Deze opgaven oefenen hoe je de lesstof toepast, zoals je dat later in een gesprek met een cliënt zou doen.
1.Wat bepaalt of een neurotransmitter de ontvangende cel prikkelt of remt?
a.De hoeveelheid neurotransmitter in de blaasjes.
b.De lengte van het axon.
c.Het type receptor waaraan de neurotransmitter bindt.
d.De dikte van de myelineschede.
2.Hoe werkt een SSRI?
a.Het blokkeert de heropnamepomp voor serotonine, zodat serotonine langer in de synaptische spleet blijft.
b.Het bevat serotonine dat via het bloed de hersenen bereikt.
c.Het remt de afbraak van acetylcholine.
d.Het versterkt de GABA-A-receptor.
3.Casus. Sanne (34) heeft op Instagram gelezen dat ‘95 procent van je serotonine in je darm wordt gemaakt’. Ze wil een duur probioticum kopen ‘om haar geluksstof te verhogen’, omdat ze zich al maanden somber voelt. Wat is de beste reactie?
a.Bevestigen dat haar stemming vooral uit haar darm komt.
b.Haar adviseren om ook 5-HTP te nemen.
c.Zeggen dat darm en hersenen niets met elkaar te maken hebben.
d.Uitleggen dat darmserotonine de hersenen niet bereikt en dat de darm-hersen-as via andere wegen loopt, en haar aanraden met haar langdurige somberheid naar de huisarts te gaan.
4.Waarom krijgen mensen met de ziekte van Parkinson L-dopa en geen dopamine?
a.Omdat dopamine giftig is voor de lever.
b.Omdat L-dopa de bloed-hersenbarrière kan passeren en dopamine niet.
c.Omdat L-dopa sneller wordt afgebroken.
d.Omdat dopamine alleen in de darm werkt.
5.Welke uitspraak over dopamine klopt het best?
a.Dopamine is vooral betrokken bij willen, motivatie en leren wat de moeite waard is.
b.Dopamine is het stofje dat zorgt voor genieten.
c.Dopamine wordt gemaakt uit tryptofaan.
d.Dopamine verhoogt de afgifte van prolactine.
6.Casus. Ahmed (45) gebruikt al twee jaar sertraline. Hij heeft gelezen dat ‘de serotoninetheorie is ontkracht’ en wil per direct stoppen. Wat is de beste reactie?
a.Hem steunen: als de theorie niet klopt, werkt het middel ook niet.
b.Hem adviseren de dosis zelf te halveren.
c.Uitleggen dat de discussie gaat over hoe antidepressiva werken en niet over of ze helpen, dat plotseling stoppen onttrekkingsklachten en terugval kan geven, en hem adviseren het met zijn huisarts te bespreken.
d.Hem adviseren over te stappen op sint-janskruid.
7.Welke stof is de belangrijkste remmende neurotransmitter in de hersenen?
a.Glutamaat.
b.GABA.
c.Dopamine.
d.Acetylcholine.
8.Casus. Karin (29) slikt de pil en wil sint-janskruid gaan gebruiken omdat ze zich wat somber voelt. Wat is de beste reactie?
a.Zeggen dat sint-janskruid een plant is en daarom veilig.
b.Zeggen dat sint-janskruid nooit werkt.
c.Adviseren het samen met 5-HTP te nemen voor een sterker effect.
d.Uitleggen dat sint-janskruid bij lichte depressie wel kan werken, maar de werking van de pil kan verminderen, en haar adviseren eerst met de huisarts of apotheker te overleggen.
9.Wat gebeurt er bij plotseling stoppen na langdurig veel alcoholgebruik?
a.Het brein is aangepast aan de extra GABA-rem en de geremde glutamaat; zonder alcohol blijft een te prikkelbaar brein over, met risico op onrust, trillen en zelfs aanvallen.
b.Er gebeurt niets, alcohol heeft geen invloed op neurotransmitters.
c.Iemand wordt juist slaperig door een teveel aan GABA.
d.Het dopamine stijgt sterk, waardoor iemand zich direct beter voelt.
10.Casus. Een cliënte vertelt dat ze elke maand in de week voor haar menstruatie zo somber en prikkelbaar is dat haar relatie eronder lijdt. Ze wil een bloedtest laten doen om haar ‘progesterontekort’ aan te tonen. Wat is de beste reactie?
a.Haar adviseren progesteroncrème te gaan gebruiken.
b.Uitleggen dat bij ernstige premenstruele klachten de hormoonspiegels meestal normaal zijn, maar de hersenen anders reageren op de schommelingen, en haar aanraden dit met de huisarts te bespreken.
c.Zeggen dat premenstruele klachten tussen haar oren zitten.
d.Haar adviseren een urinetest op neurotransmitters te doen.
11.Waar komt de runner’s high volgens recent onderzoek waarschijnlijk vooral vandaan?
a.Uit endorfines die de bloed-hersenbarrière passeren.
b.Uit cortisol.
c.Uit endocannabinoïden zoals anandamide.
d.Uit serotonine uit de darm.
12.Welke uitspraak over cafeïne klopt?
a.Cafeïne verhoogt het melatonine.
b.Cafeïne versterkt de GABA-rem.
c.Cafeïne wordt binnen een uur volledig afgebroken.
d.Cafeïne blokkeert de adenosinereceptor, waardoor je de slaapdruk minder voelt.
13.Casus. Tom (38) wil mucuna-poeder kopen ‘voor meer dopamine en motivatie’. Wat is de beste reactie?
a.Uitleggen dat mucuna L-dopa bevat, dat het RIVM aangeeft dat de hoeveelheid bij normaal gebruik vergelijkbaar is met een parkinsonmedicijn, dat er bijwerkingen en interacties zijn en dat voordeel bij gezonde mensen niet is aangetoond.
b.Zeggen dat mucuna veilig is omdat het een boon is.
c.Hem adviseren de dosis te verdubbelen.
d.Hem adviseren het te combineren met L-tyrosine.
14.Welke uitspraak over neurotransmittertests in urine klopt?
a.Ze laten precies zien hoeveel serotonine er in je hersenen zit.
b.Ze worden door huisartsen gebruikt om depressie vast te stellen.
c.Ze zeggen weinig over de hersenen, omdat neurotransmitters in het hele lichaam worden gemaakt, vooral in darm en nieren.
d.Ze zijn de beste manier om een supplementenplan te maken.
15.Casus. Een cliënt gebruikt een SSRI en is net begonnen met 5-HTP. Sinds gisteren is hij onrustig, zweet hij veel, trilt hij en heeft hij spiertrekkingen en verhoging. Wat is de beste reactie?
a.Hem adviseren meer water te drinken en af te wachten.
b.Hem adviseren de dosis 5-HTP te verlagen en volgende week terug te komen.
c.Zeggen dat dit hoort bij gewenning aan het supplement.
d.Hem dezelfde dag naar de huisarts verwijzen (bij ernstige klachten 112), omdat dit kan passen bij het serotoninesyndroom.
16.Casus. Een cliënte zegt tijdens een gesprek over haar eetpatroon dat ze ‘er soms over nadenkt om er niet meer te zijn’. Wat is de beste reactie?
a.Het onderwerp vermijden, omdat vragen ernaar het risico verhoogt.
b.Rustig en serieus doorvragen naar die gedachten en haar helpen om vandaag nog contact op te nemen met de huisarts of 113 (0800-0113); bij acuut gevaar 112.
c.Haar adviseren om meer te bewegen en het daar later over te hebben.
d.Haar een supplement voor de stemming aanraden.
De inhoud van deze les is gebaseerd op onderstaande bronnen. Achter elke bron staat hoe diep die is gelezen: [V] volledig gelezen, [S] samenvatting of kernpunten gelezen, [Sec] alleen via een secundaire bron (nieuwsbericht, bespreking, zoekresultaat).
Opgezocht in bronnen
OpenStax (2022). Anatomy and Physiology 2e, § 12.4 The Action Potential en § 12.5 Communication Between Neurons. [S] Kernpunten van de webpagina’s gelezen: rustpotentiaal, drempel, piek, duur, myeline; stappen van de chemische synaps, opruimen, ionotrope en metabotrope receptoren, indeling van neurotransmitters. Voor deze les extra opgezocht.
OpenStax (2022). Anatomy and Physiology 2e, § 15.1 Divisions of the Autonomic Nervous System. [S] Kernpunten gelezen: oorsprong van sympathicus en parasympathicus, acetylcholine en noradrenaline, receptortypen, uitzondering zweetklieren, bijniermerg, nervus vagus. Voor deze les extra opgezocht.
StatPearls. Physiology, Neurotransmitters (NBK539894). [Sec] De pagina zelf kon niet worden geopend; inhoud via een zoekresultaat (glutamaat, GABA ongeveer 40 procent van de remmende verwerking, aanmaak van GABA, functies van dopamine).
Moncrieff, J. et al. (2022). The serotonin theory of depression: a systematic umbrella review of the evidence. Molecular Psychiatry. [Sec] Via persberichten.
Jauhar, S. et al. (2023). A leaky umbrella has little value: evidence clearly indicates the serotonin system is implicated in depression. Molecular Psychiatry. [Sec] Via het nieuwsbericht van King’s College London.
Shaw, K. et al. Tryptophan and 5-hydroxytryptophan for depression. Cochrane Database of Systematic Reviews, CD003198. [S]
Linde, K. et al. (2008). St John’s wort for major depression. Cochrane Database of Systematic Reviews, CD000448.pub3. [S + Sec]
Fuss, J. et al. (2015). A runner’s high depends on cannabinoid receptors in mice. PNAS 112(42). [S]
Siebers, M. et al. (2021). Exercise-induced euphoria and anxiolysis do not depend on endogenous opioids in humans. Psychoneuroendocrinology 126, 105173. [S]
Boonstra, E. et al. (2015). Neurotransmitters as food supplements: the effects of GABA on brain and behavior. Frontiers in Psychology 6, 1520. [S]
Overzichtsartikelen over serotonine in de darm (onder meer PMC7659911). [Sec] Aandeel van 90 tot 95 procent in de darm; bloed-hersenbarrière.
Overzichtsartikel over allopregnanolon en PMDD (PMC10017536). [S] Schmidt, P.J. et al. (1998). Differential behavioral effects of gonadal steroids in women with and in those without premenstrual syndrome. New England Journal of Medicine 338, 209-216. [Sec]
Richtlijn Depressie (2024), multidisciplinair (richtlijnendatabase.nl), en NHG-Standaard Depressie. [Sec] SSRI’s eerste keus, overstappen na 4 tot 6 weken, keuze bij ouderen, module suïcidaliteit.
Trimbos-instituut en RIVM. NEMESIS-3 (2019-2022), via de RIVM-monitor mentale gezondheid. [Sec]
Serretti, A. en Chiesa, A. (2009). Treatment-emergent sexual dysfunction related to antidepressants: a meta-analysis. Journal of Clinical Psychopharmacology 29, 259-266. [Sec]
Berichtgeving over ‘dopamine fasting’ (Sepah; Harvard Health; een review in Cureus, 2024). [Sec]
Systematische reviews over L-theanine bij stress (5 onderzoeken, 104 deelnemers) en slaap (19 onderzoeken, 897 deelnemers). [Sec]
Jongkees, B.J. et al. (2015). Effect of tyrosine supplementation on clinical and healthy populations under stress or cognitive demands: a review. Journal of Psychiatric Research 70, 50-57. [S]
European Medicines Agency. EPAR Zurzuvae (zuranolon); Europese toelating 17 september 2025. [Sec]
Hinz, M. et al. (2010). Analyse van urinaire neurotransmittertests, Research and Reports in Urology (Dovepress). [Sec] Alleen via een secundaire bron; de precieze titel is niet zelf gecontroleerd.
Reviews over Mucuna pruriens (PMC12377966, PMC11300383). [Sec] L-dopagehalte en analyses van producten.
RIVM (2024). Risk assessment of herbal preparations containing seed extracts of Mucuna pruriens. RIVM-rapport 2024-0087. [S] Samenvatting op de RIVM-site en het bericht van de Parkinson Vereniging gelezen; het volledige rapport niet. Voor deze les extra opgezocht.
Singh, B. et al. (2023), over bewegen en psychische klachten: zie de bronnen van les 7.
Bewust afgeweken van gangbare vereenvoudigingen: dopamine is niet als ‘gelukshormoon’ beschreven maar als stof voor willen, motivatie en leren; ‘depressie is een serotoninetekort’ is genuanceerd met beide kanten van de discussie, zonder twijfel te zaaien over behandeling; ‘95 procent van je serotonine zit in je darm, dus geluk komt uit je darm’ is gecorrigeerd met de bloed-hersenbarrière; de runner’s high is niet aan endorfines toegeschreven maar aan endocannabinoïden; PMDD is niet beschreven als een hormoontekort maar als een andere gevoeligheid voor normale schommelingen; ‘meer grondstof is meer neurotransmitter’ is genuanceerd; sint-janskruid is niet weggezet als ‘werkt niet’, maar als werkzaam middel met serieuze interacties.
Let op: waar bronnen verschillen, zijn afgeronde bereiken genomen. Controleer details bij twijfel bij de huisarts, de apotheker of in actuele richtlijnen.