Module 3 · Les 22 - Gezondheidsproblemen

Zelfstudie voedingsleer · Module 3: Sport & Voeding

Inhoudsopgave

22.1 Inleiding

22.2 Lage energiebeschikbaarheid en REDs

22.3 Overtraining

22.4 Bloedarmoede en ijzertekort

22.5 Botgezondheid en stressfracturen

22.6 Maag-darmklachten

22.7 Spierkramp en hitte

22.8 Sporters met een aandoening

22.9 Verstoord eetgedrag en eetstoornissen

22.10 Omstreden punten eerlijk bekeken

22.11 Onderbouwd of niet? Een overzicht

22.12 Je rol en je grenzen

22.13 Samenvatting

22.14 Oefenopgaven

22.15 Praktijkopgaven

Bronnen

Over dit materiaal

Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van het IOC-consensusstandpunt over REDs (2023), de ECSS/ACSM-consensus over overtraining, de ACSM-consensus over sportvoeding, de NHG-Standaarden Anemie en Voedselovergevoeligheid en coeliakie, en wetenschappelijke onderzoeken en overzichtsartikelen (zie Bronnen achteraan). Het is bedoeld om te leren en is geen vervanging voor medisch advies. De gezondheidsproblemen in deze les horen bij de (sport)arts en de (sport)diëtist; jij leert ze herkennen en op tijd doorverwijzen.

22.1 Inleiding

Sporten is gezond, maar wie veel en intensief traint, loopt een paar specifieke gezondheidsrisico's. Een hardloopster die steeds vermoeider wordt, een wielrenner die niet meer vooruitgaat, een turnster met een stressfractuur, een triatleet die tijdens elke wedstrijd naar de dixi moet: vaak speelt voeding een rol, als oorzaak of als deel van de oplossing.

In deze les, module 3, onderdeel 3.7, behandel je de belangrijkste gezondheidsproblemen bij sporters waarbij voeding meetelt: een te lage energiebeschikbaarheid (REDs), overtraining, ijzertekort, botproblemen, maag-darmklachten, kramp, sporters met een aandoening zoals diabetes of coeliakie, en verstoord eetgedrag. Je bouwt voort op les 9 (ijzer, § 9.8.1), les 10 (energiebeschikbaarheid, § 10.8.2), les 16 (kramp), les 18 (afweer) en les 20 (de pil en een energietekort). De nadruk ligt op herkennen en doorverwijzen: de diagnose en behandeling horen bij de arts en de (sport)diëtist.

Na deze les kun je:

22.2 Lage energiebeschikbaarheid en REDs

22.2.1 Wat is het?

In les 10 (§ 10.8.2) leerde je het begrip energiebeschikbaarheid (EA): de energie die overblijft voor alle andere lichaamsfuncties nadat de training is 'betaald', uitgedrukt per kilo vetvrije massa (VVM). Als die langere tijd te laag is, gaat het lichaam bezuinigen: op de voortplanting, de botaanmaak, de stofwisseling en de afweer.

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) noemt het geheel van gevolgen REDs: Relative Energy Deficiency in Sport, relatief energietekort bij sport. Het begrip werd in 2014 geïntroduceerd en in 2023 bijgewerkt in een nieuw consensusstandpunt (Mountjoy en collega's, 2023). Belangrijke punten uit dat standpunt:

Lage energiebeschikbaarheid ontstaat lang niet altijd bewust. Een sporter kan simpelweg onderschatten hoeveel de training kost, weinig trek hebben na zware inspanning, of door tijdgebrek maaltijden overslaan. Soms gaat het wel om bewust lijnen om lichter of slanker te zijn (§ 22.9).

22.2.2 Gevolgen voor gezondheid en prestatie

Figuur 1: gevolgen van een langdurig lage energiebeschikbaarheid voor gezondheid en prestatie (vereenvoudigd naar het IOC-consensusstandpunt, Mountjoy 2023).

Figuur 1 laat de gevolgen zien. De bekendste zijn:

Let op: de pil verbergt een energietekort

Een sporter die de combinatiepil gebruikt, heeft maandelijks een onttrekkingsbloeding, ook als ze te weinig eet. In onderzoek bij physique-sporters (Mikkonen 2025; les 20) bleef bij pilgebruiksters het oestradiol stabiel tijdens een energietekort, terwijl andere signalen (IGF-1, T3, leptine) wel daalden. Een 'normale' bloeding is bij pilgebruik dus geen bewijs dat de sporter genoeg eet.

22.2.3 Mannen

REDs werd lang gezien als een vrouwenprobleem. Inmiddels is duidelijk dat ook mannen het krijgen, bijvoorbeeld wielrenners, lange-afstandslopers, roeiers in de lichte klasse, jockeys en vechtsporters. Bij mannen is er geen duidelijk signaal zoals een uitblijvende menstruatie. Signalen zijn een laag testosteron (bijvoorbeeld minder zin in seks), een lage T3, stressfracturen en prestatieverlies. Volgens een overzicht van Hackney (2020; zelfstudie hormonen, les 14) heeft ongeveer 15 tot 25 procent van de mannen die jarenlang veel duurtraining doen een blijvend lager testosteron in rust; of dat schadelijk is of een aanpassing, is nog onduidelijk.

22.2.4 Energiebeschikbaarheid berekenen

Rekenvoorbeeld: Eva

Eva (24) is middellangeafstandsloopster: 55 kg, 45 kg vetvrije massa.

Rustweek: ze eet 2400 kcal per dag en verbruikt met trainen 420 kcal. EA = (2400 − 420) / 45 = 44 kcal per kg VVM.

Trainingskamp: ze traint twee keer per dag en verbruikt 1240 kcal; ze eet 2500 kcal. EA = (2500 − 1240) / 45 = 28 kcal per kg VVM.

Een paar dagen zo'n lage waarde is meestal adaptief. Houdt het weken of maanden aan, dan stijgt het risico op REDs.

Figuur 2: de energiebeschikbaarheid van Eva in een rustweek en tijdens een trainingskamp, met de vuistregels uit de ACSM-consensus (2016). Het IOC (2023) benadrukt dat er geen harde grens is.

In de praktijk is dit rekenwerk onnauwkeurig. De energie-inname wordt vaak onderschat (les 32), het trainingsverbruik is een schatting (sporthorloges zitten er vaak 20 procent of meer naast; les 10) en de vetvrije massa moet worden gemeten (les 34). Gebruik de berekening daarom als gesprekshulp, niet als diagnose.

22.2.5 Herkennen: de REDs CAT2

Er bestaat geen enkele test waarmee je REDs kunt aantonen. Het IOC ontwikkelde daarom de REDs CAT2 (Clinical Assessment Tool, version 2; Stellingwerff 2023), een hulpmiddel voor artsen met drie stappen:

Soort indicatorVoorbeelden (CAT2, via Dvořáková 2024)
Ernstige primaire indicator (telt dubbel)Geen eerste menstruatie (primaire amenorroe) of 12 of meer cycli achter elkaar geen menstruatie door FHA; testosteron onder de referentiewaarde (man)
Primaire indicator3 tot 11 cycli achter elkaar geen menstruatie door FHA; testosteron of T3 laag binnen het referentiegebied (laagste 25 procent); recente stressfracturen; lage botdichtheid (Z-score onder −1); groei die achterblijft bij jongeren; verhoogde score op een eetstoornisvragenlijst of een vastgestelde eetstoornis
Secundaire indicatorOnregelmatige cyclus (meer dan 35 dagen tussen menstruaties) door FHA; één lichte stressfractuur; verhoogd (LDL-)cholesterol; vastgestelde depressie of angststoornis

Op basis van de indicatoren valt een sporter in een van vier verkeerslichtcategorieën: groen, geel, oranje of rood, met bij elke kleur een advies over trainen en wedstrijden. Bij rood is deelname aan wedstrijden niet verantwoord. In een onderzoek bij ruim 200 topsporters (Heikura 2024) viel 55 procent in groen, 36 procent in geel, 5 procent in oranje en 4 procent in rood (figuur 3). Sporters in een ernstiger categorie kregen in de jaren daarna vaker een stressfractuur.

Figuur 3: verdeling over de verkeerslichtcategorieën van de REDs CAT2 bij 213 topsporters (Heikura 2024).

22.2.6 Voorkomen en behandelen

De kern van de behandeling is: meer energie, soms in combinatie met minder training. Het IOC benadrukt dat dit een teamaanpak is: de arts stelt de diagnose en volgt de gezondheid, een (sport)diëtist maakt het voedingsplan, en waar nodig helpt een psycholoog. Herstel van bijvoorbeeld de menstruatie of de botdichtheid kan maanden tot jaren duren. Voor het bot adviseert het IOC bij lage energiebeschikbaarheid of cyclusstoornissen daarnaast 1500 mg calcium en 1500-2000 IE vitamine D per dag (IOC 2018; les 9).

Preventie ligt meer op jouw terrein: uitleggen dat training energie kost, voorbeeldschema's die passen bij de trainingsbelasting (les 19), voldoende koolhydraten op zware dagen, en geen nadruk op gewicht of vetpercentage. Het IOC-standpunt bevat ook richtlijnen om lichaamssamenstelling veilig en zorgvuldig te meten, om REDs te helpen voorkomen (les 34).

22.3 Overtraining

Trainen werkt doordat het lichaam zich na een zware belasting herstelt en sterker wordt. Als de belasting te groot is en het herstel te kort, gaat het mis. De gezamenlijke consensus van de Europese en Amerikaanse sportwetenschappers (ECSS/ACSM, Meeusen 2013) onderscheidt een continuüm (figuur 4):

Figuur 4: van normale training naar het overtrainingssyndroom. Het verschil zit vooral in de tijd die nodig is voor herstel van de prestatie (Meeusen 2013).

Het onderscheid tussen niet-functionele overreaching en het overtrainingssyndroom is moeilijk; de diagnose wordt gesteld door andere oorzaken uit te sluiten, zoals infecties, ijzertekort, schildklierproblemen en een energietekort. Er is geen bloedtest of hormoonmeting die overtraining betrouwbaar aantoont (Meeusen 2013).

22.3.1 De rol van voeding

Volgens de consensus kan te weinig energie, koolhydraat of eiwit bijdragen aan overreaching. Een voorbeeld uit de consensus: lopers die 7 dagen lang dagelijks 16 tot 21 km hard liepen, gingen achteruit met een matige koolhydraatinname, maar veel minder met een koolhydraatrijk dieet. Het advies is om in periodes van intensieve training de inname van vocht, koolhydraten en energie te verhogen, zonder dat eiwit daardoor te laag wordt. Overtraining en REDs overlappen dus: bij een sporter met aanhoudende vermoeidheid en prestatiedaling hoort altijd de vraag of die genoeg eet.

22.4 Bloedarmoede en ijzertekort

In les 9 (§ 9.8.1) leerde je dat ijzertekort bij sporters vaker voorkomt, vooral bij vrouwen, en dat de sportgeneeskunde andere afkapwaarden voor ferritine gebruikt (30-35 µg/l) dan de NHG (onder 15 µg/l bevestigt een ijzergebrek). Hier drie aanvullingen.

22.4.1 'Sportanemie' is geen bloedarmoede

Bij duursporters ligt het hemoglobinegehalte (Hb) en de hematocriet vaak iets lager dan bij niet-sporters. Dat heet soms 'sportanemie'. Volgens een overzicht van Mairbäurl (2013) is dat geen bloedarmoede in medische zin: training vergroot het plasmavolume, waardoor het bloed iets 'verdund' wordt, terwijl de totale hoeveelheid rode bloedcellen en hemoglobine juist groter is. Een iets lage Hb bij een goed getrainde duursporter zonder klachten is dus niet hetzelfde als een tekort. De arts beoordeelt dat, samen met ferritine en andere waarden.

22.4.2 Drie situaties

SituatieKenmerkenWat dan?
Verdunning ('sportanemie')Hb iets laag of laag-normaal; ferritine normaal; geen klachtenGeen behandeling nodig; beoordeling door arts
IJzertekort zonder bloedarmoedeFerritine laag (sportgrens onder 30-35 µg/l), Hb normaalArts beslist; ijzerrijk eten; soms ijzer op voorschrift
IJzergebreksanemieHb onder de ondergrens en ferritine laagArts: oorzaak zoeken en ijzer voorschrijven (NHG: bijvoorbeeld 2× per week ferrofumaraat)

22.4.3 Helpt ijzer bij een tekort zonder bloedarmoede?

Bij sporters met een ijzertekort zonder bloedarmoede verbetert ijzer de ijzervoorraad (ferritine, transferrineverzadiging) duidelijk. Het effect op Hb en VO2max was in een meta-analyse matig (Burden 2015), en in een systematisch overzicht verbeterde de prestatie in de helft van de studies wel en in de andere helft niet. Wie geen tekort heeft, wordt van extra ijzer niet beter; te veel ijzer kan juist schaden (IOC 2018; les 9).

Let op: ijzerinfusen

Sommige sporters krijgen ijzer via een infuus om snel een voorraad op te bouwen. Een ijzerinfuus vult de voorraad snel aan, maar verbetert de prestatie bij sporters zonder bloedarmoede niet duidelijk. Het is een medische behandeling met risico's, en een infuus van meer dan 100 ml per 12 uur is volgens de WADA-lijst verboden, behalve in het ziekenhuis of bij diagnostiek (les 19, § 19.10). Adviseer nooit zelf ijzer of een infuus; verwijs naar de (sport)arts.

22.5 Botgezondheid en stressfracturen

Een stressfractuur (botstressletsel) is een kleine breuk door herhaalde belasting, bijvoorbeeld in het scheenbeen, de middenvoet of het bekken bij hardlopers. Het risico neemt toe bij een snelle stijging van de trainingsbelasting, maar ook bij een energietekort: dan maakt het lichaam minder bot aan. Stressfracturen en een lage botdichtheid zijn daarom primaire indicatoren in de REDs CAT2 (§ 22.2.5). Een stressfractuur op een 'hoogrisico'-plek (de hals van het dijbeen, het heiligbeen of het bekken) wijst extra sterk op REDs.

Wat voeding kan doen:

De botopbouw is het grootst in de jeugd en de tienertijd (les 20). Wat een jonge sporter dan door een energietekort mist, is later moeilijk in te halen.

22.6 Maag-darmklachten

Maag-darmklachten zijn bij sporters heel gewoon: volgens Jeukendrup (2017) heeft 30 tot 50 procent van de sporters er regelmatig last van. Denk aan misselijkheid, oprispingen, buikkrampen, aandrang en diarree. Bij lange, zware inspanning gaat er minder bloed naar de darm, waardoor de darmwand tijdelijk minder goed werkt; de maaglediging en opname vertragen. Volgens een systematisch overzicht (Costa 2017) ontstaan duidelijke verstoringen vanaf ongeveer 2 uur inspanning op 60 procent van de VO2max, ongeacht de fitheid, en maken warmte en hardlopen (door het schokken) het erger.

22.6.1 Wat kun je doen?

22.6.2 Low FODMAP rond wedstrijden

FODMAP's zijn koolhydraten die slecht worden opgenomen en in de dikke darm gisten, zoals fructanen in tarwe en ui, lactose en polyolen (les 2 en 4). In een kleine studie (Lis 2018) aten 11 hardlopers met klachten 6 dagen een dieet met weinig of met veel FODMAP's. Met weinig FODMAP's hadden ze minder dagelijkse klachten (minder winderigheid, aandrang en diarree). Het is één kleine studie, dus het bewijs is beperkt. Een FODMAP-arm dieet is ingewikkeld en kan leiden tot een eenzijdig voedingspatroon; het hoort kortdurend en onder begeleiding van een diëtist.

22.6.3 Probiotica

Probiotica worden vaak aangeprezen tegen darmklachten bij sporters. Een systematisch overzicht (Rauch 2022) vond dat probiotica de darmklachten en de schade aan de darmwand tijdens inspanning niet duidelijk verminderden (les 18). Bewijs: zwak.

Alarmsignalen bij darmklachten

Bloed bij de ontlasting, ongewild afvallen, klachten die ook buiten het sporten aanhouden, nachtelijke diarree, koorts of hevige buikpijn horen bij de huisarts. Denk ook aan coeliakie (§ 22.8.3) en aan een eetstoornis (§ 22.9).

22.7 Spierkramp en hitte

Kramp tijdens het sporten wordt vaak toegeschreven aan uitdroging of zouttekort. Onderzoek bij triatleten (Schwellnus 2011; les 16) vond dat kramp vooral samenhing met een hoger tempo dan normaal en eerdere kramp, niet met het natriumgehalte in het bloed of de mate van uitdroging. Magnesium helpt niet tegen kramp (Cochrane; les 9). Augurkensap en kinine staan in AIS-groep B: er is opkomend, maar nog geen overtuigend bewijs. Rekken van de verkrampte spier helpt meestal het snelst. Hitteklachten (hitte-uitputting en hitteberoerte) komen uitgebreid aan bod in les 23.

22.8 Sporters met een aandoening

Ook mensen met een chronische aandoening kunnen sporten, en voor de meesten is bewegen juist gezond. Voeding en medicijnen moeten dan wel op elkaar zijn afgestemd. Dat is het werk van de behandelaar (huisarts, internist, diabetesverpleegkundige, diëtist). Jij moet weten waar de risico's liggen.

22.8.1 Diabetes type 1

Bij diabetes type 1 maakt het lichaam geen insuline meer (zelfstudie hormonen, les 6). Tijdens inspanning nemen de spieren glucose op, ook zonder insuline, terwijl de geïnjecteerde insuline gewoon blijft werken. Daardoor dreigt een hypo (te lage bloedglucose), soms ook uren na de training of 's nachts. Een internationale consensus (Riddell 2017) geeft onder andere deze richtpunten, die altijd met de behandelaar worden afgesproken:

De reactie op inspanning verschilt per soort training en per persoon. Elke sporter met diabetes type 1 heeft dus een persoonlijk plan nodig, gemaakt met de behandelaar.

22.8.2 Diabetes type 2

Bij diabetes type 2 is bewegen een belangrijk deel van de behandeling. Een hypo is vooral een risico bij gebruik van insuline of SU-derivaten (zoals gliclazide): volgens de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 gaan die middelen gepaard met een hoger risico op hypoglykemie (zelfstudie hormonen, les 6). Wie meer gaat bewegen of afvallen, moet de medicatie soms laten aanpassen door de huisarts.

22.8.3 Coeliakie

Bij coeliakie is levenslang glutenvrij eten nodig (les 12). Een sporter met coeliakie let ook op sportproducten: repen, gels en herstelshakes kunnen gluten bevatten (lees het etiket; les 14). Begin nooit glutenvrij te eten vóór de diagnose: dan kan de arts coeliakie niet meer goed aantonen (NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid en coeliakie). Sommige sporters eten zonder diagnose glutenvrij omdat ze denken dat dat beter is voor hun prestatie. In een dubbelblinde studie bij 13 wielrenners zonder coeliakie (Lis 2015) maakte een week glutenvrij eten geen verschil voor de tijdrit, de darmklachten of het welbevinden. Wie klachten heeft, gaat eerst naar de huisarts.

22.8.4 Astma, hoge bloeddruk en hartklachten

Sporters met astma, een hoge bloeddruk of hartklachten horen onder controle van hun arts. Benauwdheid tijdens of na inspanning, pijn op de borst, hartkloppingen of flauwvallen tijdens het sporten zijn altijd een reden om te stoppen en een arts te raadplegen (les 18, IOC-checklist). Voor voeding gelden de gewone adviezen (Schijf van Vijf, weinig zout bij hoge bloeddruk; les 7 en 11).

22.9 Verstoord eetgedrag en eetstoornissen

Eetstoornissen komen bij sporters vaker voor dan bij niet-sporters. In een groot Noors onderzoek (Sundgot-Borgen en Torstveit 2004) onder alle 1620 topsporters en een even grote controlegroep had 13,5 procent van de sporters een eetstoornis, tegenover 4,6 procent van de controlegroep (figuur 5). Eetstoornissen kwamen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, en vaker in sporten waarin een laag gewicht of een slank lichaam belangrijk is.

Figuur 5: eetstoornissen bij Noorse topsporters en een controlegroep (Sundgot-Borgen en Torstveit 2004).

Risicosporten zijn esthetische sporten (turnen, dansen, kunstschaatsen), gewichtsklassensporten (vechtsporten, lichte klasse roeien; les 27) en duursporten waarin een laag gewicht voordeel lijkt te geven. Er is een glijdende schaal van 'gezond letten op voeding', via verstoord eetgedrag (overslaan van maaltijden, strenge regels, compensatie door extra trainen) tot een eetstoornis. Signalen zijn onder meer: veel gewichtsverlies, een sterke angst voor bepaalde voedingsmiddelen, eten verbergen of alleen eten, extra trainen na het eten, opvallende stemmingswisselingen, een uitblijvende menstruatie en terugkerende blessures.

Wat doe je als je verstoord eetgedrag vermoedt?

Bespreek wat je ziet op een rustige, niet-veroordelende manier, zonder het over gewicht te hebben. Verwijs naar de huisarts of sportarts. Geef geen dieetadvies of afvaladvies. De behandeling van eetstoornissen hoort bij gespecialiseerde hulpverleners (les 33).

22.10 Omstreden punten eerlijk bekeken

22.10.1 'De vrouwelijke atletentriade' of REDs?

Vroeger sprak men over de vrouwelijke atletentriade: een energietekort, menstruatiestoornissen en een lage botdichtheid. Het IOC introduceerde in 2014 het bredere begrip REDs, dat meer gevolgen omvat en ook mannen. De triade wordt nog gebruikt, onder andere in de Verenigde Staten, en past binnen het REDs-model. Voor jou is de boodschap gelijk: een energietekort heeft gevolgen voor het hele lichaam, bij vrouwen én mannen. Bewijs: consensus.

22.10.2 'Een ijzerinfuus maakt je sneller'

De claim: sporters met moeheid of een lage ferritine presteren beter na een ijzerinfuus. Wat klopt er: bij een ijzertekort vult ijzer de voorraad aan, en bij een echte bloedarmoede verbetert dat de prestatie. Wat niet klopt: bij sporters zonder bloedarmoede verbetert ijzer de prestatie niet duidelijk, en bij sporters zonder tekort helemaal niet; te veel ijzer kan schaden, en een infuus van meer dan 100 ml is buiten het ziekenhuis verboden (WADA). Bewijs voor de claim: zwak.

22.10.3 'Overtraining komt door te veel cortisol'

Er wordt vaak beweerd dat overtraining een 'cortisolprobleem' is, dat je met een bloedtest of speekseltest kunt vaststellen. Volgens de ECSS/ACSM-consensus voldoet geen enkele hormoonmeting om overtraining betrouwbaar aan te tonen; de diagnose gaat via het uitsluiten van andere oorzaken (Meeusen 2013). Bewijs voor de claim: zwak.

22.10.4 'Elektrolyten voorkomen kramp'

Sportdranken met extra zout of magnesiumsupplementen worden vaak aangeprezen tegen kramp. Onderzoek vond geen verband tussen natrium of uitdroging en kramp (Schwellnus 2011), en magnesium werkt niet (Cochrane). Bij lange inspanning in de hitte is natrium wel zinvol om andere redenen (les 7 en 23). Bewijs voor de claim: zwak; matig bewijs tegen.

22.10.5 'Low FODMAP is goed voor alle sporters'

Een kleine studie liet minder klachten zien bij lopers met klachten (Lis 2018). Voor sporters zonder klachten is er geen reden om FODMAP's te beperken; peulvruchten, volkoren en veel groenten zijn juist gezond (les 11). Bewijs: beperkt, alleen voor sporters met klachten en kortdurend.

22.11 Onderbouwd of niet? Een overzicht

BeweringOordeelBewijs
REDs komt bij vrouwen én mannen voorKlopt (IOC 2023)Sterk (consensus)
Onder 30 kcal per kg VVM krijgt iedereen REDsTe stellig; geen harde drempelMatig
Een normale bloeding bij pilgebruik bewijst dat je genoeg eetKlopt nietMatig
Er is een bloedtest die overtraining aantoontKlopt nietMatig (consensus)
Een iets lage Hb bij duursporters is altijd bloedarmoedeKlopt niet; vaak verdunningMatig
IJzer verbetert de prestatie bij sporters zonder tekortKlopt nietMatig
Stressfracturen kunnen wijzen op een energietekortKloptSterk
30-50% van de sporters heeft regelmatig darmklachtenKlopt (schatting)Matig
De darm is trainbaarWaarschijnlijk (kleine studies)Beperkt-matig
Probiotica voorkomen darmklachten bij sportersNiet aangetoondZwak
Zouttekort is de oorzaak van krampKlopt nietMatig (tegen)
Eetstoornissen komen vaker voor bij topsportersKloptMatig-sterk

22.12 Je rol en je grenzen

Bij de problemen in deze les ben jij vaak degene die als eerste iets merkt. Je mag voorlichting geven, voedingsschema's maken voor gezonde sporters en signalen bespreken. De diagnose en behandeling horen bij de arts en de (sport)diëtist.

Je mag welDoorverwijzen
Uitleggen wat energiebeschikbaarheid is en een voedingsschema afstemmen op de trainingsbelastingSportarts of huisarts: menstruatie langer dan 3 maanden weg (niet zwanger), geen eerste menstruatie op 15-jarige leeftijd, stressfracturen, snel gewichtsverlies, minder zin in seks bij mannen
Algemene adviezen over ijzerrijk etenHuisarts of sportarts: aanhoudende vermoeidheid of prestatiedaling, bleek, kortademig (ijzertekort, overtraining of andere oorzaak); nooit zelf ijzer adviseren
Tips tegen darmklachten rond trainingen (timing, vet en vezel, gut training)Huisarts: bloed bij de ontlasting, gewichtsverlies, klachten buiten het sporten; diëtist: FODMAP-dieet, coeliakie
Een sporter met diabetes algemene sportvoedingsinformatie gevenBehandelaar (huisarts, internist, diabetesverpleegkundige): afspraken over insuline, koolhydraten en hypo's
Signalen van verstoord eetgedrag besprekenHuisarts of sportarts: vermoeden van een eetstoornis; geen afvaladvies geven
Uitleggen wanneer je niet moet sportenArts (direct): pijn op de borst, flauwvallen, hartkloppingen of ernstige benauwdheid bij inspanning

22.13 Samenvatting

22.14 Oefenopgaven

Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan. De opgaven 12 tot en met 14 zijn rekenopgaven.

1.Wat is energiebeschikbaarheid, en waarin verschilt het van energiebalans?

2.Noem vier gevolgen van REDs voor de gezondheid en drie voor de prestatie.

3.Wat bedoelt het IOC met 'adaptieve' en 'problematische' lage energiebeschikbaarheid? Geef van elk een voorbeeld.

4.Welke signalen van REDs zijn er bij mannen? Waarom wordt REDs bij mannen vaker gemist?

5.Waarom is een regelmatige bloeding bij een sporter die de pil gebruikt geen bewijs dat ze genoeg eet?

6.Beschrijf de drie stappen van de REDs CAT2. Wie stelt de diagnose?

7.Leg het verschil uit tussen functionele overreaching, niet-functionele overreaching en het overtrainingssyndroom. Welke rol speelt voeding?

8.Wat is 'sportanemie', en waarom is het geen echte bloedarmoede?

9.Waarom zijn stressfracturen een aanwijzing voor REDs? Wat adviseert het IOC voor het bot bij een energietekort?

10.Noem vier maatregelen tegen maag-darmklachten tijdens lange inspanning.

11.Waarom heeft een sporter met diabetes type 1 kans op een hypo tijdens en na het sporten? Noem twee richtpunten uit de consensus van Riddell (2017).

12.Rekenopgave. Lars (wielrenner) weegt 70 kg, heeft 60 kg vetvrije massa, eet 3200 kcal en verbruikt 1500 kcal met trainen. Bereken zijn energiebeschikbaarheid en beoordeel de uitkomst.

13.Rekenopgave. Hoeveel moet Lars (opgave 12) per dag extra eten om op 45 kcal per kg VVM uit te komen?

14.Rekenopgave. Noor (sporter met diabetes type 1, 60 kg) gaat 2 uur rustig fietsen. Hoeveel gram koolhydraat is 0,5 g per kg per uur in totaal? Hoeveel bekers sportdrank van 250 ml met 6 g koolhydraat per 100 ml is dat?

Tip

Maak voor een sporter in je omgeving een schatting van de energiebeschikbaarheid op een rustdag en op een zware trainingsdag. Bedenk welke eetmomenten je zou toevoegen op de zware dag.

22.15 Praktijkopgaven

Kies bij elke vraag het beste antwoord. De laatste opgaven zijn casussen zoals je ze in de praktijk tegenkomt.

1.Wat betekent REDs?

a.Een tekort aan rode bloedcellen bij sporters

b.Relatief energietekort bij sport

c.Een rekentool voor energieverbruik

d.Een vorm van overtraining door te veel eiwit

2.Bij wie komt REDs voor volgens het IOC (2023)?

a.Alleen bij vrouwen

b.Alleen bij topsporters

c.Bij vrouwen én mannen

d.Alleen bij jongeren

3.Welke waarde voor energiebeschikbaarheid past volgens de ACSM ongeveer bij een gezonde energiebalans?

a.± 15 kcal per kg VVM

b.± 30 kcal per kg VVM

c.± 60 kcal per kg lichaamsgewicht

d.± 45 kcal per kg VVM

4.Wie stelt volgens de REDs CAT2 de diagnose REDs?

a.Een arts, samen met het team

b.De coach

c.De sporter zelf met een vragenlijst

d.De gewichtsconsulent

5.Wat is een ernstige primaire indicator in de REDs CAT2?

a.Eén keer een lage ferritine

b.12 of meer cycli achter elkaar geen menstruatie door FHA

c.Een verhoogd cholesterol

d.Een slechte training

6.Wat kenmerkt functionele overreaching?

a.Herstel duurt maanden

b.Er is een bloedtest voor

c.Tijdelijk lagere prestatie, na herstel beter dan daarvoor

d.Het is altijd schadelijk

7.Hoe wordt het overtrainingssyndroom vastgesteld?

a.Met een cortisoltest

b.Met een lactaattest

c.Met een ijzertest

d.Door andere oorzaken uit te sluiten

8.Waardoor ontstaat 'sportanemie' bij duursporters?

a.Een groter plasmavolume (verdunning)

b.IJzertekort

c.Te weinig rode bloedcellen

d.Te veel eiwit

9.Wat geldt voor ijzerinfusen bij sporters zonder bloedarmoede?

a.Ze verbeteren de prestatie altijd

b.Prestatiewinst niet duidelijk; infuus > 100 ml buiten het ziekenhuis verboden

c.Ze zijn onschuldig en vrij te gebruiken

d.Ze zijn alleen verboden voor vrouwen

10.Wat is de belangrijkste stap bij herstel van de botgezondheid bij REDs?

a.Alleen calciumtabletten

b.Minder eiwit eten

c.Meer energie (en herstel van de menstruatie)

d.Meer hardlopen

11.Wat vond Lis (2018) over een low-FODMAP-dieet bij lopers met klachten?

a.Minder dagelijkse darmklachten (kleine studie)

b.Meer klachten

c.Snellere looptijden

d.Geen effect

12.Wat hangt volgens Schwellnus (2011) samen met kramp bij triatleten?

a.Een laag natrium in het bloed

b.Uitdroging

c.Een magnesiumtekort

d.Een hoog tempo en eerdere kramp

13.Casus. Sanne (19), langeafstandsloopster, is al 5 maanden niet ongesteld, heeft pijn in haar scheenbeen en is 4 kilo afgevallen. Wat doe je?

a.Je adviseert calcium en gaat door met het schema.

b.Je verwijst haar naar de sportarts of huisarts (mogelijk REDs en een stressfractuur).

c.Je zegt dat dit bij lopen hoort.

d.Je adviseert haar de pil te gaan gebruiken.

14.Casus. Mark (35), triatleet, is al weken moe, slaapt slecht en presteert slechter, ondanks extra trainen. Hij vraagt of hij ijzer moet slikken. Wat is het beste antwoord?

a.Ja, ijzer helpt altijd tegen moeheid.

b.Nog harder trainen.

c.Je bespreekt zijn eten en training, adviseert rust en verwijst naar de (sport)arts voor onderzoek; geen ijzer op eigen houtje.

d.Een cortisoltest laten doen bij een webshop.

15.Casus. Fatima (28) heeft diabetes type 1 en wil voor een halve marathon gaan trainen. Wat doe je?

a.Je stelt zelf haar insulinedosis bij.

b.Je adviseert haar geen koolhydraten te nemen.

c.Je raadt hardlopen af.

d.Je geeft algemene sportvoedingsinformatie en adviseert de afspraken over insuline en koolhydraten te maken met haar behandelaar.

16.Casus. Tom (17), turner, eet steeds minder, traint extra na het eten en zegt dat hij 'nog wat vet kwijt moet'. Wat is de beste aanpak?

a.Je bespreekt rustig wat je ziet en verwijst naar de huisarts of sportarts; je geeft geen afvaladvies.

b.Je maakt een afvalschema.

c.Je adviseert een eiwitdieet.

d.Je negeert het; jongens krijgen geen eetstoornis.

Bronnen

Leesdiepte: [V] volledig gelezen, [S] samenvatting of betreffend hoofdstuk/passage gelezen, [Sec] via een secundaire bron.

Mountjoy, M. e.a. (2023). 2023 International Olympic Committee's (IOC) consensus statement on Relative Energy Deficiency in Sport (REDs). Br J Sports Med 57:1073. [S, abstract en kernpunten]

Stellingwerff, T. e.a. (2023). Review of the scientific rationale, development and validation of the IOC REDs Clinical Assessment Tool V.2 (IOC REDs CAT2). Br J Sports Med 57:1109. [S, abstract]

Dvořáková, K. e.a. (2024). A literature review of biomarkers used for diagnosis of relative energy deficiency in sport. Front Sports Act Living 6:1375740 (indicatoren van de CAT2). [S, passages]

Heikura, I.A. e.a. (2024). Application of the IOC REDs CAT2 across 200+ elite athletes. Br J Sports Med 59:24. [S, abstract]

Thomas, D.T., Erdman, K.A., Burke, L.M. (2016). Position of the Academy of Nutrition and Dietetics, Dietitians of Canada, and the American College of Sports Medicine: Nutrition and athletic performance. J Acad Nutr Diet 116:501. [V]

Maughan, R.J. e.a. (2018). IOC consensus statement: dietary supplements and the high-performance athlete. Br J Sports Med 52:439. [V]

Gordon, C.M. e.a. (2017). Functional hypothalamic amenorrhea: an Endocrine Society clinical practice guideline. J Clin Endocrinol Metab 102:1413 (zelfstudie hormonen V12). [S]

Hackney, A.C. (2020). Hypogonadism in exercising males: dysfunction or adaptive-regulatory adjustment? Front Endocrinol 11:11 (zelfstudie hormonen B5). [S]

Mikkonen, R. e.a. (2025). Hormone profiles after low energy availability in hormonal contraceptive users and naturally menstruating physique athletes. Eur J Sport Sci 25:e70076 (zie les 20). [S]

Meeusen, R. e.a. (2013). Prevention, diagnosis, and treatment of the overtraining syndrome: joint consensus statement of the ECSS and the ACSM. Med Sci Sports Exerc 45:186. [S, definities en voeding]

Mairbäurl, H. (2013). Red blood cells in sports: effects of exercise and training on oxygen supply by red blood cells. Front Physiol 4:332. [S, abstract]

Burden, R.J. e.a. (2015). Is iron treatment beneficial in iron-deficient but non-anaemic (IDNA) endurance athletes? A meta-analysis. Br J Sports Med 49:1389; plus systematisch overzicht IDNA (dossier SV23). [Sec]

NHG-Standaard Anemie (versie in algemene_bronnen; zie les 9). [V]

WADA (2025). Prohibited List 2026 (M2: infusies). [Sec, zie les 19]

Jeukendrup, A. (2017). Training the gut for athletes. Sports Med 47 Suppl 1:101. [V, kernpassages]

Costa, R.J.S. e.a. (2017). Systematic review: exercise-induced gastrointestinal syndrome - implications for health and intestinal disease. Aliment Pharmacol Ther 46:246. [S, abstract]

Martinez, I.G. e.a. (2023). The effect of gut-training and feeding-challenge on markers of gastrointestinal status in response to endurance exercise: a systematic literature review. Sports Med 53:1175. [S, abstract]

Lis, D.M. e.a. (2018). Short-term low FODMAP diet and exercise-related gastrointestinal symptoms in runners. Med Sci Sports Exerc 50:116. [S, abstract]

Rauch, C.E. e.a. (2022). Effect of prebiotics, probiotics, and synbiotics on gastrointestinal outcomes in healthy adults and active adults at rest and in response to exercise. Front Nutr 9:1003620. [S, abstract]

Schwellnus, M.P. e.a. (2011). Increased running speed and previous cramps rather than dehydration or serum sodium changes predict exercise-associated muscle cramping. Br J Sports Med 45:650 (zie les 16). [S]

Riddell, M.C. e.a. (2017). Exercise management in type 1 diabetes: a consensus statement. Lancet Diabetes Endocrinol 5:377. [S, abstract en kernpunten]

NHG-Standaarden Diabetes mellitus type 2 en Voedselovergevoeligheid en coeliakie (versies in algemene_bronnen; zie les 12 en zelfstudie hormonen, les 6). [V]

Lis, D. e.a. (2015). No effects of a short-term gluten-free diet on performance in nonceliac athletes. Med Sci Sports Exerc 47:2563. [S, abstract]

Sundgot-Borgen, J., Torstveit, M.K. (2004). Prevalence of eating disorders in elite athletes is higher than in the general population. Clin J Sport Med 14:25. [S, abstract]

Australian Institute of Sport. AIS Sports Supplement Framework, groep B (geraadpleegd 7 oktober 2026; zie les 19). [V]

Zelfstudie voedingsleer, les 7, 9, 10, 16, 18, 19 en 20; zelfstudie hormonen, les 6, 11 en 14. [zie daar]

Bewust afgeweken van gangbare vereenvoudigingen: geen harde grens van 30 kcal per kg VVM, maar een spectrum van adaptief tot problematisch (IOC 2023); REDs niet als vrouwenprobleem en de 'vrouwelijke atletentriade' als deel van een breder model; een pilbloeding niet als bewijs van voldoende energie; overtraining niet als 'cortisolprobleem' met een bloedtest; een iets lage Hb bij duursporters niet automatisch als bloedarmoede; kramp niet als zout- of magnesiumtekort; low FODMAP en probiotica niet als algemeen advies voor sporters.