Zelfstudie voedingsleer · Module 5: Coachen en begeleiden als gewichtsconsulent
Inhoudsopgave
38.2 De basis van communicatie
38.3 Communicatiestijlen en -modellen
38.4 De opbouw van een gesprek
38.5 Feedback, klachten en complimenten
38.6 Communiceren met verschillende cliënten
38.8 Voorlichting, workshops en cursussen (kerntaak 2)
38.10 Een bijeenkomst evalueren
38.12 Omstreden punten eerlijk bekeken
Bronnen
Over dit materiaal
Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van de exameneisen van de BGN (kerntaak 1 en 2), de handleiding motiverende gespreksvoering van RIVM en Soa Aids Nederland, uitleg over de Roos van Leary uit Nederlandse trainings- en vakliteratuur, een systematische review over NLP, informatie van Pharos over laaggeletterdheid en de NHG-Standaard Obesitas (zie Bronnen achteraan). Voor een deel van de begrippen (OEN, de vier communicatiestijlen, de voor- en nadelen van werkvormen) is het servicedocument van de BGN de enige bron: die worden hier uitgelegd als de indeling van de BGN, met eigen voorbeelden, zonder dat er onderzoek naar hun effect achter zit. De gesprekken en voorbeelden zijn verzonnen. Het materiaal is bedoeld om te leren.
Alles wat je in module 5 doet, gaat via gesprekken: de intake, het samen kiezen van doelen, de begeleiding en de evaluatie. En als gewichtsconsulent geef je ook voorlichting, workshops en cursussen aan groepen. Deze les, module 5, onderdeel 5.7, behandelt het communicatiedeel van vakkennis 14 (communicatievormen, technieken, het communicatieproces, communicatiestijlen en -modellen), de vaardigheden 7, 9 en 20 van kerntaak 1, en kerntaak 2 helemaal: het geven van lezingen, workshops en cursussen. Kerntaak 2 zit niet in het kennisexamen, maar wel in het portfolio en het interview. De coachingskant van vakkennis 14 (gedachten, patronen, motiveren, weerstand, terugval) komt in les 39.
Na deze les kun je:
Communicatie kun je beschrijven als een proces met vijf onderdelen (figuur 1). De zender wil iets overbrengen en stuurt een boodschap naar de ontvanger. Zender en ontvanger hebben elk hun eigen referentiekader: hun ervaringen, kennis, cultuur, verwachtingen en gevoelens. Daardoor kan dezelfde boodschap anders aankomen dan bedoeld. En onderweg is er ruis: alles wat de boodschap stoort, van een rinkelende telefoon en vermoeidheid tot vaktaal, schaamte of een vooroordeel. Door terugkoppeling (een reactie, een samenvatting, een terugvraag) controleer je of de boodschap goed is aangekomen.
Voorbeeld: referentiekader en ruis
Je zegt tegen een cliënt: 'Uw BMI is 32, dat valt in de klasse obesitas.' Jij bedoelt een neutrale meting. Zij hoort, met haar ervaring van jarenlang commentaar op haar lichaam, een oordeel. En omdat ze zich schaamt (ruis), hoort ze de rest van je uitleg niet meer. Beter: eerst toestemming vragen om over gewicht te praten, daarna de uitkomst geven en vragen 'Wat betekent dat voor u?' (les 34).
Als woorden en lichaamstaal of toon elkaar tegenspreken, valt dat op. Een cliënt die zegt 'Het gaat prima' maar wegkijkt en zacht praat, nodig je uit om verder te vertellen: 'U zegt dat het goed gaat, maar ik zie dat u twijfelt?'
Gespreksfragment: LSD in een vervolgconsult
Consulent: 'Hoe gingen de afgelopen weken?' (open vraag)
Cliënt: 'Wisselend. Het ontbijt lukt goed, maar 's avonds... ik weet het niet.'
Consulent: 'Het ontbijt gaat goed, en 's avonds is het lastiger. Vertel eens over zo'n avond.' (samenvatten + doorvragen)
Cliënt: 'Als ik moe thuiskom van mijn werk, ga ik meteen op de bank, en dan pak ik iets.'
Consulent: 'Dus vooral op avonden dat u moe bent. Wat pakt u dan meestal?' (samenvatten + doorvragen)
Cliënt: 'Chips. Of een reep.'
Consulent: 'Als ik het goed begrijp: het ontbijt lukt, en het moeilijke moment is de bank na een vermoeiende dag. Klopt dat?' (samenvatten en checken)
De BGN noemt naast LSD de houding OEN: open (zonder oordeel luisteren, ook naar wat afwijkt van wat jij denkt), eerlijk (zeggen wat je ziet en wat je wel en niet kunt, ook als dat lastig is) en nieuwsgierig (echt willen weten hoe het voor de cliënt is, in plaats van te denken dat je het al weet). OEN is een houding; LSD zijn de technieken die erbij horen. Voorbeeld: in plaats van 'U moet gewoon minder snoepen' (gesloten, oordelend) vraag je 'Ik ben benieuwd: wat maakt het snoepen 's avonds zo fijn?' (open, nieuwsgierig).
Het servicedocument van de BGN noemt vier communicatiestijlen. Er is buiten het servicedocument geen bron gevonden die ze beschrijft; hieronder staat een uitleg met voorbeelden. Geen stijl is goed of fout: je kiest de stijl die past bij de cliënt en het moment.
| Stijl | Wat je doet | Voorbeeld | Past vooral bij |
|---|---|---|---|
| Motiverend | De cliënt stimuleren om zelf redenen en mogelijkheden voor verandering te benoemen | 'Wat zou het u opleveren als dat lukt?' | Twijfel, ambivalentie (les 39) |
| Zorgend | Steun, begrip en geruststelling geven | 'Ik begrijp dat het een zware week was. Fijn dat u er bent.' | Verdriet, tegenslag, onzekerheid |
| Onderzoekend | Vragen stellen om de situatie en het gedrag te begrijpen | 'Wat gebeurt er precies vlak voordat u gaat snoepen?' | Intake, analyse, een terugval begrijpen |
| Regisserend | Structuur geven, sturen, informatie en grenzen geven | 'We hebben nog tien minuten; laten we de afspraken voor volgende keer maken.' | Tijd bewaken, afspraken maken, doorverwijzen |
In motiverende gespreksvoering (les 39) wordt een vergelijkbare indeling gebruikt: een directieve stijl (sturen, informeren), een volgende stijl (luisteren, de cliënt volgen) en daartussen de gidsende stijl, de basis van motiverende gespreksvoering. Een goede gesprekspartner schakelt soepel tussen de stijlen (RIVM-handleiding motiverende gespreksvoering).
De Roos van Leary is een interactiemodel, gebaseerd op onderzoek van de groep rond Timothy Leary dat in 1957 werd gepubliceerd. Bij het observeren van vele groepsgesprekken zagen de onderzoekers dat niet alleen belangrijk was wat er gezegd werd, maar vooral wat dat bij de ander teweegbracht. Het model ordent gedrag langs twee assen (figuur 2):
Het principe is: gedrag roept gedrag op. Op de boven-onderas werkt dat complementair: bovengedrag roept ondergedrag op en omgekeerd. Op de samen-tegenas werkt het symmetrisch: samengedrag roept samengedrag op, tegengedrag roept tegengedrag op. Gedrag is daarbij geen eigenschap van een persoon en geen oordeel: iedereen kan alle soorten gedrag laten zien, en zowel de samen- als de tegenkant kan positief of negatief uitpakken. Het model is geen persoonlijkheidstest, maar een hulpmiddel om interacties te begrijpen en je eigen gedrag bewust in te zetten.
Toepassing in je praktijk
Een cliënt die zegt 'Zeg jij maar wat ik moet eten' laat ondergedrag zien, en lokt bij jou bovengedrag uit: een dieetlijst voorschrijven. Dan wordt het jouw plan in plaats van het hare. Door bewust een stap terug te doen ('Wat denkt u zelf dat haalbaar is?') nodig je haar uit tot meer eigen regie.
Een cliënt die kritisch begint ('Dit heb ik allemaal al eens geprobeerd') lokt tegengedrag uit: jij gaat je verdedigen of overtuigen. Met samengedrag ('U heeft veel ervaring met diëten. Wat werkte wel en wat niet?') wordt de kans groter dat het gesprek samen verder gaat.
Het servicedocument noemt naast de Roos van Leary ook NLP (neurolinguïstisch programmeren) als communicatiemodel. NLP is een verzameling communicatie- en veranderingstechnieken die in trainingen en coaching veel wordt gebruikt, bijvoorbeeld het afstemmen op de taal en houding van de ander. Een systematische review (Sturt e.a. 2012) vond 10 experimentele studies naar gezondheidsuitkomsten, waaronder gewichtsbehoud. Vier van de vijf gerandomiseerde studies vonden geen verschil tussen de groepen, en het risico op vertekening was hoog of onduidelijk. Conclusie: er is weinig bewijs dat NLP gezondheidsuitkomsten verbetert; dat komt door weinig en zwak onderzoek, niet doordat bewezen is dat het niet werkt. Ken het begrip voor het examen, en gebruik liever technieken met meer onderbouwing, zoals motiverende gespreksvoering (les 39).
De intake heeft een eigen opbouw (les 32). Een vervolgconsult volgt meestal de onderdelen van het BGN-begeleidingsformulier (les 37):
Soms valt het resultaat tegen: de cliënt is niet afgevallen, of zelfs aangekomen, of houdt zich niet aan de afspraken. Zo'n gesprek is lastig voor beide kanten. Een praktische opbouw:
Kerntaak 2 vraagt dat je kunt omgaan met feedback, klachten en complimenten (vaardigheid 10). Dat geldt ook in individuele gesprekken.
Volgens Pharos hebben ongeveer 3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder in Nederland moeite met lezen, schrijven en/of rekenen, en heeft ongeveer 1 op de 3 mensen (35 procent) moeite met het vinden, begrijpen en beoordelen van gezondheidsinformatie (Nivel 2024). De grootste groep zijn ouderen met een Nederlandse achtergrond en een middelbaar opleidingsniveau: je ziet het dus niet aan iemand. Signalen kunnen zijn: lees- en schrijfsituaties vermijden ('Ik heb mijn bril niet bij me'), ongemak bij het invullen van een formulier, moeite met een verhaal in de goede volgorde, of op de verkeerde dag komen. Niet begrijpen wordt soms aangezien voor gebrek aan motivatie.
Andere culturen: sluit aan bij de eigen keuken, gewoonten en feesten en vraag hoe de cliënt religieuze regels volgt (les 31, 35). Jongeren: je begeleidt in het portfolio volwassenen; voor kinderen en jongeren met overgewicht is de jeugdgezondheidszorg de aangewezen plek (les 29). Ouderen: let op gehoor en zicht, neem de tijd, en wees terughoudend met afvallen bij 70-plussers vanwege spierverlies (les 34). Stigma: vraag toestemming om over gewicht te praten, gebruik geen beschuldigende taal en ga er niet van uit dat iemand 'gewoon minder moet eten en meer bewegen' (NHG; les 29).
Evalueren (vaardigheid 20) is samen met de cliënt bekijken of de doelen worden behaald, of ze nog realistisch zijn en of ze moeten worden bijgesteld. Je laat de cliënt zien welke veranderingen er zijn en wat ze hebben opgeleverd, en je bespreekt waardoor een doel wel of niet is gehaald. Koppel de evaluatie altijd aan het SMART-doel uit het begeleidingsplan (les 37).
| Wat evalueer je? | Hoe? | Voorbeeld Monique na 3 maanden |
|---|---|---|
| Uitkomstdoelen | Metingen volgens protocol (les 34): gewicht (trend), middelomtrek | 92 → 89 kg (−3%), middel 104 → 101 cm: op koers voor −5% in 6 maanden |
| Gedragsdoelen | Eetdagboek of Mijn Eetmeter, turflijst, navragen | Ontbijt 5/5, frisdrank gestopt, wandelen 2-3 × per week |
| Andere doelen | Schaalvragen (0-10), klachten, fitheid | Kniepijn bij traplopen van 6 naar 3; minder moe |
| Proces | Wat helpt, wat is lastig, hoe ervaart de cliënt de begeleiding? | Weekenden en wijn blijven lastig; begeleiding 'precies goed' |
Tussentijds en aan het eind. Evalueer kort bij elk consult (begeleidingsformulier) en uitgebreider op vaste momenten, bijvoorbeeld na 6 weken, 3 en 6 maanden en aan het eind (les 37, figuur 3). Bij de eindevaluatie bespreek je ook hoe tevreden de cliënt is over de begeleiding, wat hij heeft geleerd en hoe hij het gaat volhouden. Bij een verwezen cliënt volgt eventueel een rapportage aan de verwijzer (les 37). Is een doel niet gehaald, dan zoek je samen waardoor, zonder schuld: was het doel acceptabel en realistisch, was de stap te groot, is de situatie veranderd?
Een gewichtsconsulent geeft voorlichting aan groepen, bijvoorbeeld een lezing in een buurthuis, een workshop 'gezond lunchen' voor een bedrijf of een cursus van zes avonden. Het doel volgens de BGN: de deelnemers krijgen kennis en inzicht in een gezonde leefstijl en voedselkeuze, kunnen dit toepassen in hun eigen situatie en begrijpen welke gedragsveranderingen daarvoor nodig zijn.
Vaak is er een opdrachtgever: een werkgever, school, sportvereniging of gemeente. Met gesprekstechnieken achterhaal je eerst wat de opdrachtgever wil (vaardigheid 1) en vertaal je dat samen naar een leerdoel (vaardigheid 2). Voorbeeld: een werkgever zegt 'Mijn mensen eten slecht.' Na doorvragen blijkt: veel medewerkers lunchen met snacks uit de automaat. Leerdoel: 'Na de workshop kunnen de deelnemers drie gezonde lunches noemen die ze in tien minuten kunnen klaarmaken en meenemen.' Organiseer je zelf een bijeenkomst, dan formuleer je zelf het doel.
Met het didactisch analysemodel ontwerp je een bijeenkomst (figuur 3). Het servicedocument noemt vier onderdelen:
Het servicedocument noemt vier groepen werkvormen. Bij elke werkvorm wil het examen weten wat het inhoudt, wanneer je het inzet en wat de voor- en nadelen zijn. De tabel geeft een praktische uitwerking.
| Werkvorm | Wat en wanneer | Voordelen | Nadelen |
|---|---|---|---|
| Voordracht (lezing, demonstratie, excursie) | Jij brengt informatie over: een presentatie, een kookdemonstratie, een supermarktexcursie. Bij nieuwe kennis en grote groepen | Veel informatie in korte tijd; geschikt voor grote groepen; demonstratie en excursie maken het concreet | Deelnemers zijn passief; aandacht zakt na een tijd; weinig zicht op wat aankomt |
| Gespreksvorm | Groepsgesprek of discussie onder leiding van jou. Om ervaringen te delen, meningen te vormen | Deelnemers zijn actief; leren van elkaar; je hoort wat er leeft | Kost tijd; enkelen kunnen domineren; vraagt goede gespreksleiding |
| Opdrachtsvorm | Deelnemers doen iets: etiketten vergelijken, een dagmenu samenstellen, in tweetallen een plan maken. Om kennis toe te passen | Actief; toepassen in eigen situatie; beter onthouden | Kost voorbereiding en tijd; niet iedereen werkt graag in groepjes |
| Spelvorm | Quiz, rollenspel, suikerklontjes raden. Om te activeren of kennis te toetsen | Leuk en actief; maakt een onderwerp luchtig bespreekbaar | Kan kinderachtig overkomen; risico dat het spel de boodschap overschaduwt |
Presentatietechnieken bij een voordracht: een duidelijke opbouw (vertel wat je gaat vertellen, vertel het, vat samen), contact met de groep (oogcontact, rondkijken, vragen stellen), stem en tempo afwisselen, niet voorlezen van dia's, weinig tekst per dia, voorbeelden uit het dagelijks leven, en een korte voordracht afwisselen met een andere werkvorm.
Het servicedocument verdeelt hulpmiddelen in auditief (geluid: stem, muziek, geluidsfragment), visueel (beeld: dia's, flip-over, posters, de Schijf van Vijf, folders), audiovisueel (beeld en geluid: video) en psychomotorisch (doen en voelen: verpakkingen en etiketten in de hand, proeven, portiegroottes afmeten, koken). Bij de keuze spelen mee: geschiktheid (past het bij doel en groep?), beschikbaarheid, kosten en technische kwaliteit (werkt de beamer, is de video goed te zien en te horen?).
Een bijeenkomst bouw je op volgens het kop-romp-staartprincipe (figuur 4). Kop: ontvangst, kennismaking en inleiding (doel en programma). Romp: het behandelen van het onderwerp, met afwisselende werkvormen. Staart: evaluatie en afsluiting (samenvatting, wat neem je mee, eventueel huiswerk).
Bij het plannen (vaardigheid 4) denk je aan: locatie (ruimte, bereikbaarheid, apparatuur), tijdstip, de duur van het traject en de tijdsduur per bijeenkomst, catering, kosten en pr/marketing. Met een kosten-batenanalyse en goede pr vergroot je de kans van slagen (vaardigheid 7; prijzen en marketing in les 40 en 41).
Voorbeeld: didactisch analysemodel voor de workshop 'Gezond lunchen'
Doel: deelnemers kunnen drie gezonde, snelle lunches noemen en maken er één klaar.
Beginsituatie: 15 medewerkers van een logistiek bedrijf, 25-60 jaar, wisselende voorkennis; motivatie gemengd (de werkgever heeft het georganiseerd); 90 minuten in de kantine; beamer en keukentje aanwezig.
Onderwijsleersituatie: korte voordracht over de Schijf van Vijf voor de lunch (visueel: dia's, echte verpakkingen); opdracht in tweetallen: etiketten van snacks uit de automaat vergelijken met een zelfgemaakte lunch (psychomotorisch); spel: suikerklontjes raden; zelf een volkorenwrap maken.
Evaluatie: kort mondeling rondje en een evaluatieformulier (§ 38.10); na een maand vraagt de werkgever na of er meer mensen een lunch meenemen.
In een groep speelt meer dan de inhoud: deelnemers reageren op elkaar, er ontstaan rollen en regels. Het examen vraagt welke rol jij hebt, welke dynamiek er in een groep is en hoe je daarop ingrijpt, en welke normen en waarden er gelden (vakkennis 5).
Een bekend model is dat van Tuckman (1965), gebaseerd op een overzicht van onderzoek naar kleine groepen. Een groep doorloopt volgens dit model vier fasen: forming (kennismaken en aftasten), storming (onrust, kritiek, strijd om invloed), norming (afspraken en omgangsregels ontstaan) en performing (samen aan het doel werken). Later is een vijfde fase toegevoegd: adjourning, het afscheid (Tuckman en Jensen 1977). Het is een beschrijvend model; groepen lopen niet altijd netjes door de fasen.
| Fase | Wat zie je in een cursusgroep? | Wat doe je als begeleider? |
|---|---|---|
| Forming | Deelnemers zijn afwachtend en beleefd, kijken naar jou | Structuur geven: doel, programma, kennismaking, veilige sfeer |
| Storming | Kritiek ('Dit weet ik allemaal al'), irritaties, iemand die domineert | Kritiek serieus nemen, iedereen ruimte geven, regels bewaken |
| Norming | Afspraken over op tijd komen, luisteren, vertrouwelijkheid | Normen samen vastleggen en benoemen |
| Performing | Deelnemers helpen elkaar en delen ervaringen | Ruimte geven, minder sturen |
| Adjourning | Afscheid, soms onzekerheid over 'zonder de groep' | Afronden, terugblikken, vooruitkijken |
Normen zijn de (vaak ongeschreven) regels in een groep; waarden wat de groep belangrijk vindt. Maak in een cursus een paar normen expliciet: op tijd beginnen, elkaar laten uitpraten, wat in de groep gezegd wordt blijft in de groep, geen opmerkingen over elkaars lichaam. Bij grenzen, macht, agressie en conflicten (vaardigheid 9) blijf je rustig en duidelijk: benoem het gedrag ('Ik merk dat het gesprek fel wordt'), verwijs naar de afgesproken regels, geef beide kanten ruimte, en bespreek een conflict zo nodig apart na afloop. Bij agressie of bedreiging stop je de bijeenkomst; je eigen veiligheid en die van de groep gaan voor. Hier helpt de Roos van Leary: tegengedrag roept tegengedrag op, dus reageer niet zelf met tegengedrag.
Evalueren geeft je informatie om de volgende bijeenkomst te verbeteren (vaardigheid 11-12). Het servicedocument onderscheidt:
| Voorbeeld evaluatieformulier 'Gezond lunchen' | Soort vraag |
|---|---|
| 1. Hoe tevreden bent u over de workshop? (1 = zeer ontevreden, 5 = zeer tevreden) | Gesloten, subjectief, proces |
| 2. Was het tempo: te langzaam / goed / te snel? | Gesloten, subjectief, proces |
| 3. Welke onderdelen vond u het nuttigst? Kruis aan: presentatie / etiketten vergelijken / quiz / wrap maken | Meerkeuze, subjectief, proces |
| 4. Noem drie gezonde lunches die u in tien minuten kunt maken. | Open, objectief, product (doel) |
| 5. Welk product heeft het meeste suiker per 100 g? a / b / c | Meerkeuze, objectief, product |
| 6. Wat neemt u mee naar uw eigen lunch? Wat had beter gekund? | Open, subjectief, product en proces |
Analyseren: tel de antwoorden op de gesloten vragen (bijvoorbeeld de gemiddelde tevredenheid), zoek in de open antwoorden naar terugkerende punten, en kijk of het doel is bereikt (hoeveel deelnemers konden drie lunches noemen?). Trek een conclusie en schrijf op wat je de volgende keer verandert. Bespreek de uitkomst eventueel met de opdrachtgever.
Begeleiding kan ook (deels) online, via beeldbellen, telefoon, e-mail of een app. De NHG-Standaard Obesitas noemt dat er ook online leefstijlprogramma's bestaan. Voordelen: geen reistijd, makkelijker in te plannen, geschikt voor korte tussentijdse contacten. Aandachtspunten:
De claim: woorden bepalen maar 7 procent van een boodschap, de toon 38 procent en de lichaamstaal 55 procent. Waar het vandaan komt: kleine laboratoriumproeven van Mehrabian uit 1967 over het overbrengen van gevoelens, waarin woorden en toon of gezichtsuitdrukking elkaar soms tegenspraken. Wat klopt er: als woorden en toon of lichaamstaal over een gevoel elkaar tegenspreken, letten mensen sterk op de toon en het gezicht. Wat niet klopt: dat dit voor alle communicatie geldt. Volgens latere besprekingen gaf Mehrabian zelf aan dat de verhoudingen alleen gelden voor het communiceren van gevoelens en houdingen (aardig of niet aardig vinden). Bij een uitleg over de Schijf van Vijf doen de woorden er wel degelijk toe. Bewijs voor de algemene regel: zwak.
Wat klopt er: afstemmen op de ander en goed luisteren helpen in elk gesprek. Wat niet klopt: dat NLP-technieken bewezen effectief zijn. De systematische review van Sturt (2012) vond weinig en zwak onderzoek; vier van de vijf gerandomiseerde studies vonden geen verschil (§ 38.3.3). Bewijs: zwak.
| Je doet wel | Je verwijst of overlegt |
|---|---|
| Gesprekken voeren met LSD, OEN en een passende stijl; begrijpelijk uitleggen | Huisarts: signalen die in een gesprek naar boven komen, zoals somberheid, een eetstoornis of onverklaarde klachten (les 32, 33) |
| Evalueren aan de hand van het SMART-doel | 113 Zelfmoordpreventie of huisarts (dezelfde dag): suïcidale uitspraken |
| Voorlichting, workshops en cursussen geven volgens de richtlijnen van de Gezondheidsraad | Diëtist: voorlichting over medische diëten of aan groepen met een ziekte (bijvoorbeeld diabetesgroepen met medicatie) |
| Een groep begeleiden en omgaan met conflicten | Leidinggevende of opdrachtgever, of bij gevaar de politie: agressie of bedreiging |
| Online begeleiden met aandacht voor privacy | BGN: klachten die je samen niet oplost (les 37) |
Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.
1.Noem de vijf onderdelen van het communicatieproces en geef een voorbeeld van ruis in een consult.
2.Wat is het verschil tussen non-verbale en paralinguïstische communicatie? Geef van elk een voorbeeld.
3.Een cliënt zegt: 'Ik heb deze week niks goed gedaan.' Geef een reactie met samenvatten en een open vraag.
4.Noem de vier communicatiestijlen van de BGN en geef bij elke stijl een voorbeeldzin.
5.Leg met de Roos van Leary uit waarom een cliënt die zegt 'Zeg jij maar wat ik moet doen' een valkuil is.
6.Welke drie dingen doe je volgens Pharos om begrijpelijk te communiceren met iemand met beperkte gezondheidsvaardigheden?
7.Een sportvereniging vraagt je een voorlichtingsavond te geven over voeding voor jeugdtrainers. Werk het didactisch analysemodel in hoofdlijnen uit.
8.Noem de vier groepen werkvormen uit het servicedocument met één voor- en één nadeel.
9.Maak een evaluatieformulier van vier vragen voor een workshop, met minstens één open en één gesloten vraag, en één vraag over het proces en één over het product.
Tip
Neem (met toestemming) een oefengesprek met een bekende op en luister het terug. Tel hoe vaak je samenvat en hoe vaak je een open vraag stelt, en let op je toon en tempo. De meeste mensen ontdekken dat ze meer praten en adviseren dan ze dachten.
Kies bij elke vraag het beste antwoord. De laatste opgaven zijn casussen zoals je ze in de praktijk tegenkomt.
1.Waar staat LSD voor?
a.Luisteren, samenvatten, doorvragen
b.Leren, sturen, doen
c.Luisteren, sturen, delen
d.Lezen, schrijven, denken
2.Waar staat OEN voor?
a.Objectief, eerlijk, neutraal
b.Open, empathisch, nauwkeurig
c.Open, eerlijk, nieuwsgierig
d.Overtuigend, eerlijk, normerend
3.Wat is een voorbeeld van paralinguïstische communicatie?
a.Een folder
b.Oogcontact
c.De gekozen woorden
d.Een zucht en een zachte toon
4.Welk onderdeel hoort NIET bij het communicatieproces volgens de BGN?
a.Referentiekader
b.Doelgroep
c.Ruis
d.Ontvanger
5.Welke communicatiestijl gebruik je als je de tijd bewaakt en afspraken maakt?
a.Regisserend
b.Zorgend
c.Onderzoekend
d.Motiverend
6.Wat zegt de Roos van Leary over samengedrag?
a.Het roept tegengedrag op
b.Het roept ondergedrag op
c.Het roept samengedrag op
d.Het heeft geen effect
7.Wat is de conclusie van de systematische review van Sturt (2012) over NLP?
a.NLP is bewezen effectief
b.NLP is schadelijk
c.NLP werkt alleen bij gewichtsverlies
d.Er is weinig bewijs dat NLP gezondheidsuitkomsten verbetert
8.Hoeveel mensen hebben volgens Pharos moeite met het begrijpen van gezondheidsinformatie?
a.1 op de 100
b.1 op de 3
c.1 op de 10
d.Bijna niemand
9.Wat is het doel van de terugvraagmethode?
a.De cliënt testen
b.Tijd besparen
c.Controleren of jouw uitleg begrepen is
d.De cliënt laten tekenen
10.Welke vier onderdelen heeft het didactisch analysemodel?
a.Kop, romp, staart, evaluatie
b.Doelstelling, beginsituatie, onderwijsleersituatie, evaluatie
c.Forming, storming, norming, performing
d.Zender, ontvanger, boodschap, ruis
11.Welke werkvorm is een supermarktexcursie volgens het servicedocument?
a.Spelvorm
b.Gespreksvorm
c.Opdrachtsvorm
d.Voordrachtsvorm
12.Een deelnemer mag verpakkingen vasthouden en portiegroottes afmeten. Welk soort hulpmiddel is dat?
a.Psychomotorisch
b.Auditief
c.Audiovisueel
d.Visueel
13.In welke groepsfase ontstaan onrust en kritiek?
a.Forming
b.Norming
c.Storming
d.Performing
14.Casus. Op een evaluatieformulier vraag je: 'Noem drie gezonde lunches.' Wat voor vraag is dat?
a.Gesloten, subjectief, procesvraag
b.Meerkeuze, subjectief
c.Observatie
d.Open, objectief, productvraag
15.Casus. Tijdens een cursusavond zegt een deelnemer fel: 'Dit is allemaal onzin, ik weet het beter.' Wat doe je het eerst?
a.Rustig het gedrag benoemen, de kritiek serieus nemen en de afgesproken regels bewaken
b.De deelnemer wegsturen
c.Hard terug in discussie gaan
d.Doen alsof je niets hoort
16.Casus. Na zes weken is Monique niets afgevallen en zegt ze 'Het heeft toch geen zin.' Welke reactie past het best?
a.'Dan moet u strenger zijn.'
b.'Ik begrijp dat dat teleurstelt. Laten we samen kijken wat er wel veranderd is en waar het lastig was.'
c.'Dat ligt aan uw medicijnen.'
d.'Dan stoppen we.'
Leesdiepte: [V] volledig gelezen, [S] samenvatting of betreffend hoofdstuk/passage gelezen, [Sec] via een secundaire bron.
BGN (2025). Servicedocument beschrijving leerresultaten BGN-gewichtsconsulent, versie 11: kerntaak 1 vakkennis 14 en vaardigheid 7, 9, 20; kerntaak 2 vakkennis 1-7 en vaardigheid 1-13; bijlage 3. [V]
Soa Aids Nederland / RIVM-LCI (2025). Handleiding counseling volgens motiverende gespreksvoering (communicatiestijlen directief, gidsend, volgend), gebaseerd op Miller WR, Rollnick S, Motivational interviewing, 4e editie (2023). [V]
Van Dijk B, Hustings A-L. De Roos van Leary. Interactiekunde voor professionals. Amsterdam: Boom (inkijkexemplaar, hoofdstuk over de ontstaansgeschiedenis) [S]; Explore You, Sturen op gedrag: de Roos van Leary (trainingsmateriaal, pdf) [V]; Leary T (1957). Interpersonal diagnosis of personality [Sec].
Sturt J, Ali S, Robertson W e.a. (2012). Neurolinguistic programming: a systematic review of the effects on health outcomes. Br J Gen Pract 62:e757-e764. [S]
Tuckman BW (1965). Developmental sequence in small groups. Psychol Bull 63:384-399; Tuckman BW, Jensen MAC (1977). Stages of small-group development revisited. Group Organ Stud 2:419-427. [Sec]
Mehrabian A, Wiener M (1967). Decoding of inconsistent communications. J Pers Soc Psychol 6:109-114 (bibliografie bevestigd); uitleg en kritiek via secundaire besprekingen. [Sec]
Pharos. Factsheet Laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden en infosheet De terugvraagmethode (geraadpleegd 8-10-2026). [V]
Nederlands Huisartsen Genootschap (2025). NHG-Standaard Obesitas (M95): toestemming, stigma, online programma's. [V]
Zelfstudie voedingsleer, les 19, 20, 29, 31, 32, 34, 35, 37, 39, 40 en 41. [zie daar]
Bewust afgeweken van gangbare vereenvoudigingen: OEN en de vier communicatiestijlen uitgelegd als indeling van de BGN, zonder bewijs te claimen; de Roos van Leary als interactiemodel en niet als persoonlijkheidstest, met 'samen' en 'tegen' zonder waardeoordeel; NLP uitgelegd mét het zwakke bewijs; de '7-38-55-regel' niet als algemene waarheid; Tuckman als beschrijvend model waarin groepen niet altijd netjes alle fasen doorlopen.