Zelfstudie voedingsleer · Module 5: Coachen en begeleiden als gewichtsconsulent
Inhoudsopgave
39.1 Inleiding: coachen volgens de BGN
39.4 Modellen van gedragsverandering
39.5 Motiverende gespreksvoering
39.6 Technieken om gedrag te veranderen
39.8 Mindful eten en intuïtief eten
39.9 Grenzen: wanneer is andere hulp nodig?
39.10 Omstreden punten eerlijk bekeken
39.11 Onderbouwd of niet? Een overzicht
Bronnen
Over dit materiaal
Dit is eigen studiemateriaal, geschreven op basis van de exameneisen van de BGN, de handleiding motiverende gespreksvoering van RIVM en Soa Aids Nederland (naar de vierde editie van Miller en Rollnick), StatPearls-hoofdstukken over gedragsverandering, het overzicht van het terugvalpreventiemodel van Marlatt, informatie van het Nederlands Jeugdinstituut over cognitieve gedragstherapie, en systematische reviews en studies naar gedragsverandering bij gewicht (zie Bronnen achteraan). De gesprekken en voorbeelden zijn verzonnen. Dit materiaal leert je coachen bij voeding en gewicht; het is geen opleiding tot therapeut.
Weten wat gezond is, is voor de meeste cliënten niet het probleem. Het lastige is het doen, en het volhouden. Daarom vraagt het examen kennis van gedragsverandering en coaching (vakkennis 12 en 14) en dat je cliënten kunt coachen en motiveren (vaardigheid 9, 15 en 16). In deze les, module 5, onderdeel 5.8, gaat het over hoe gedrag en gewoonten ontstaan, hoe gedachten en gevoelens meespelen, welke modellen er zijn, en welke technieken je kunt gebruiken. De communicatie-basis (LSD, OEN, stijlen) staat in les 38.
De BGN geeft drie doelen voor de gesprekstechnieken en coachingsmethoden die je gebruikt: de vitaliteit en het welzijn van de cliënt vergroten; denk- en gedragspatronen leren herkennen en doorbreken; en de keuzemogelijkheden verruimen, zodat de cliënt (weer) de regie over zijn leven krijgt. En twee uitgangspunten: de cliënt is en blijft zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn leven, en je respecteert hoe de cliënt tegen de werkelijkheid aankijkt, zonder je eigen visie op te dringen.
Na deze les kun je:
In de gedragstherapie onderzoek je eerst wat aan gedrag voorafgaat en wat erop volgt (een functieanalyse). Gedrag dat iets prettigs oplevert, wordt vaker herhaald: zo'n gevolg heet een bekrachtiger (StatPearls). Een eenvoudige vorm is de ABC-analyse:
| Wat het is | Voorbeeld Monique | |
|---|---|---|
| A - Antecedent (aanleiding) | Situatie, tijdstip, plaats, gevoel, wat je ziet of ruikt | Moe thuis na een drukke werkdag, 20.30 uur, op de bank, chips in de kast |
| B - Behaviour (gedrag) | Wat de cliënt doet | Een zak chips eten voor de tv |
| C - Consequence (gevolg) | Korte termijn en lange termijn | Kort: ontspanning, troost (bekrachtiger). Lang: schuldgevoel, geen gewichtsverlies |
Het korte-termijngevolg verklaart waarom het gedrag blijft: de ontspanning komt meteen, de nadelen pas later. Uit de analyse volgen aanknopingspunten: aan de A-kant (geen chips in huis, iets anders doen na thuiskomst) en aan de C-kant (een andere manier van ontspannen die ook beloont). Let op: in de cognitieve therapie bestaat ook een ABC-model van Ellis, met een andere invulling (§ 39.3).
Veel eetgedrag is een gewoonte: het gebeurt bijna automatisch in een bepaalde situatie (koekje bij de koffie, chips bij de tv). Bij gewoonten helpen goede voornemens weinig; je verandert de situatie of oefent een nieuwe reactie op dezelfde aanleiding. Hoe lang duurt het voor een nieuwe gewoonte automatisch gaat? In een veelgeciteerd onderzoek (Lally e.a. 2010) kozen 96 deelnemers een nieuwe dagelijkse gezonde handeling, zoals water drinken bij de lunch of 15 minuten wandelen. Bij de deelnemers bij wie het model goed paste, duurde het mediaan 66 dagen tot het gedrag bijna automatisch ging, met een spreiding van 18 tot 254 dagen (figuur 3, § 39.10). Een dag overslaan maakte weinig uit. Eenvoudige handelingen gingen sneller dan ingewikkelde.
Mensen doen niet altijd wat ze van plan zijn: het verschil heet de intentie-gedragkloof. Of een voornemen tot gedrag leidt, hangt af van interne factoren (overtuigingen, vaardigheden, kennis) en externe factoren (tijd, geld, sociale steun) (StatPearls). Een bruikbaar model om te zien wat er ontbreekt, is het COM-B-model (Michie e.a. 2011): gedrag ontstaat als iemand het kan (capability), de gelegenheid heeft (opportunity) en het wil (motivation). Het model is gebaseerd op negentien eerdere raamwerken en is onder meer toegepast op obesitasbeleid. Voor Monique: ze weet hoe een gezond ontbijt eruitziet (kunnen), maar 's ochtends is er weinig tijd (gelegenheid); oplossing: de avond ervoor klaarzetten.
Hoe je over een gebeurtenis denkt, beïnvloedt hoe je je voelt en wat je doet. Dat is de basis van de cognitieve gedragstherapie (CGT): leren omgaan met negatieve gedachten en gevoelens door te onderzoeken of gedachten kloppen en helpend zijn. Het G-schema is daarbij volgens het Nederlands Jeugdinstituut een essentieel instrument. Het bestaat uit vijf G's: gebeurtenis (wat gebeurde er, zo objectief mogelijk), gedachte (wat ging er door je hoofd), gevoel (welk gevoel, hoe sterk, bijvoorbeeld in procenten), gedrag (wat deed je) en gevolg (hoe liep het af). Vaak gaan die gedachten zo snel dat ze onbewust lijken: automatische gedachten.
In de cognitieve therapie ga je daarna de gedachte uitdagen: klopt hij, waar blijkt dat uit, is hij helpend? Zo kom je tot een helpende gedachte, die tot een ander gevoel en ander gedrag kan leiden (figuur 1). Typische niet-helpende gedachten bij eten zijn alles-of-niets ('Het plan is toch al mislukt, dus nu maakt het niet meer uit'), moeten ('Ik mag nooit meer chips') en beloningsdenken ('Ik heb het verdiend'). Het ABC-model van Ellis, een voorloper van de CGT, zegt hetzelfde in drie letters: een Activerende gebeurtenis, de Beliefs (overtuigingen) daarover, en de Consequenties (gevoel en gedrag). Niet de gebeurtenis zelf, maar de overtuiging erover bepaalt de reactie.
Hoe ver ga je hierin als consulent?
Een G-schema invullen met een cliënt om eetmomenten te begrijpen, past bij coaching. Therapie is het niet: bij somberheid, angst, trauma of een eetstoornis is een psycholoog of de huisarts nodig (§ 39.9). Gebruik het schema om inzicht te geven, niet om iemands psychische problemen te behandelen.
Eten om gevoelens te dempen (stress, verveling, verdriet, eenzaamheid) heet emotie-eten; in de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag is het een van de drie eetstijlen (les 32). Het G-schema laat zien welk gevoel eraan voorafgaat. Samen zoek je naar andere manieren om met dat gevoel om te gaan, en je let op signalen van een eetbuistoornis (les 33). Bij een hoge score op emotioneel eten adviseert de auteur van de vragenlijst verwijzing naar een psycholoog (les 32).
Het bekendste model voor fasen van gedragsverandering is het transtheoretisch model van Prochaska en DiClemente, oorspronkelijk ontwikkeld bij onderzoek naar stoppen met roken (1983). Het examen vraagt dat je de fasen kent en weet welk gedrag in elke fase hoort (vakkennis 12). De fasen (figuur 2):
| Fase | Gedrag van de cliënt | Wat jij doet |
|---|---|---|
| Voorbeschouwing (precontemplatie) | Denkt (nog) niet aan veranderen, vaak gedefinieerd als 'niet binnen 6 maanden'; ziet geen probleem of heeft het opgegeven | Geen druk; informatie aanbieden als de cliënt dat wil; vragen wat hij zelf belangrijk vindt; de deur openhouden |
| Overweging (contemplatie) | Twijfelt; ziet voor- en nadelen ('ja, maar...') | Ambivalentie onderzoeken; verandertaal ontlokken (§ 39.5); voor- en nadelen samen op een rij |
| Voorbereiding | Is van plan om binnenkort te beginnen; kleine eerste stappen | Samen een concreet SMART-plan maken (les 37); als-dan-plannen |
| Actie | Verandert het gedrag actief | Steunen, bevestigen, problemen oplossen, zelfmonitoring |
| Onderhoud | Houdt het nieuwe gedrag vol (vaak na ± 6 maanden) | Terugvalpreventie, risicosituaties bespreken, minder consulten |
| (Terugval) | Valt terug in oud gedrag | Normaliseren, leren van de situatie, opnieuw instappen (§ 39.6.5) |
Wat zegt het bewijs? Een Cochrane-review (Mastellos e.a. 2014) zocht naar gerandomiseerde studies waarin leefstijlprogramma's voor volwassenen met overgewicht op het transtheoretisch model waren gebaseerd. Drie studies met in totaal 2971 deelnemers voldeden. Het bewijs dat zulke programma's leiden tot blijvend gewichtsverlies was niet overtuigend (het verschil was klein en de kwaliteit van het bewijs laag); wel waren er aanwijzingen voor verbetering van eet- en beweeggedrag. Gebruik het model dus als gesprekskader om aan te sluiten bij waar de cliënt staat, niet als bewezen afvalmethode. Mensen doorlopen de fasen ook niet netjes op volgorde (§ 39.10).
Een belangrijk begrip in veel modellen is eigen-effectiviteit (self-efficacy): het vertrouwen van iemand dat hij een specifieke situatie aankan. In het terugvalpreventiemodel van Marlatt verhoogt elke keer dat iemand een risicosituatie goed doorstaat, die eigen-effectiviteit (Larimer e.a. 1999). Daarom werk je met kleine stappen die lukken (les 37), en bevestig je wat de cliënt al goed doet.
Motiverende gespreksvoering (MGV; motivational interviewing) van Miller en Rollnick is de examenbron voor motiveren. De vierde editie (2023) beschrijft MGV als een gespreksstijl om iemands eigen motivatie voor verandering te versterken. Hieronder de kern, naar de RIVM-handleiding die op die editie is gebaseerd.
MGV begint met een grondhouding (spirit) met vier elementen: partnerschap (samenwerken als gelijken; de cliënt is deskundige over zijn eigen leven), accepteren (respect voor de autonomie en de keuzes van de cliënt), empowerment (de cliënt helpen zijn eigen sterke punten en mogelijkheden te zien) en compassie (het welzijn van de cliënt voorop). De stijl is gidsend: tussen sturen en volgen in (les 38). Vermijd de 'fixing reflex': de neiging om het probleem voor de cliënt op te lossen met adviezen die hij niet heeft gevraagd.
| Taak | Vraag | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Engageren | Kunnen we samen oplopen? | Een werkrelatie opbouwen: luisteren, begrijpen, vertrouwen |
| Focussen | Waar gaan we naartoe? | Samen kiezen waar het gesprek over gaat: 'Wilt u het vandaag over de avonden of over bewegen hebben?' |
| Ontlokken | Waarom zouden we daar naartoe gaan? | De eigen redenen van de cliënt naar boven halen (verandertaal), ambivalentie onderzoeken, autonomie benadrukken |
| Plannen | Hoe wil je daar komen? | Samen een concreet plan maken (les 37) |
De vier basistechnieken heten in het Nederlands ORBS (Engels OARS): Open vragen, Reflectief luisteren (eenvoudig: herhalen of parafraseren; complex: de betekenis of het gevoel erachter benoemen), Bevestigen (sterke punten en inzet benoemen) en Samenvatten. Ze lijken op LSD (les 38), met extra nadruk op reflecteren en bevestigen.
Een cliënt die twijfelt, noemt redenen om te veranderen (verandertaal: 'Ik wil weer met de kinderen kunnen fietsen') én redenen om het te laten zoals het is (behoudtaal: 'Maar ik heb gewoon geen tijd'). In MGV versterk je de verandertaal door ernaar te vragen en erop te reflecteren, zodat de cliënt zichzelf overtuigt. Als het concreter wordt, hoor je mobiliserende taal ('Ik ben van plan om ...'). Motivatie bestaat uit willen (hoe belangrijk is het?), kunnen (hoeveel vertrouwen?) en klaar zijn (heeft het nu prioriteit?). Een schaalvraag helpt: 'Hoe belangrijk is het voor u, van 0 tot 10? ... En waarom een 6 en geen 3?'
Weerstand ontstaat vaak in het gesprek zelf: als jij gaat duwen ('U moet echt ...'), duwt de cliënt terug ('Ja, maar ...'). Dat zie je ook in de Roos van Leary: tegengedrag roept tegengedrag op (les 38). In plaats van te argumenteren: reflecteren wat je hoort, de autonomie benadrukken ('U bepaalt zelf wat u ermee doet'), van onderwerp wisselen of toestemming vragen voordat je informatie geeft.
Gespreksfragment: ontlokken en omgaan met weerstand
Monique: 'Ik weet heus wel dat die chips niet goed zijn. Maar na zo'n dag heb ik het gewoon nodig.' (behoudtaal)
Consulent: 'Na een zware dag is dat moment op de bank echt iets voor uzelf.' (complexe reflectie, geen tegenargument)
Monique: 'Ja. Al voel ik me daarna wel vaak rot.' (verandertaal)
Consulent: 'Aan de ene kant ontspanning, aan de andere kant dat rotgevoel achteraf. Wat zou er voor u veranderen als die avonden anders liepen?' (samenvatten van de ambivalentie + open vraag)
Monique: 'Dan zou ik me minder schuldig voelen. En misschien beter slapen.'
Consulent: 'Hoe belangrijk is dat voor u, van 0 tot 10?' (schaalvraag)
Monique: 'Een 8.' ... 'Misschien kan ik eerst thee zetten en douchen als ik thuiskom.' (mobiliserende taal)
Bewijs. Een meta-analyse van 11 gerandomiseerde studies bij mensen met overgewicht of obesitas (Armstrong e.a. 2011) vond dat MGV gemiddeld 1,47 kg extra gewichtsverlies gaf vergeleken met de controlegroep; het effect op de BMI was klein en net niet significant. Een bescheiden maar positief effect. De NHG-Standaard Obesitas verwijst voor motiverende gespreksvoering naar de NHG-Praktijkhandleiding Leefstijl.
Het examen vraagt dat je stappenplannen en strategieën kent om voedingsgedrag te veranderen (vakkennis 12), en in het portfolio moet je meer dan twee of drie strategieën kunnen noemen (les 37). Een overzicht:
Bijhouden wat je doet maakt bewust: een eetdagboek of Mijn Eetmeter (les 36), een stappenteller, of een turflijst voor één gedragsdoel. Zelf wegen: in een systematische review van 17 studies bij mensen die wilden afvallen hing regelmatig zelf wegen samen met meer gewichtsverlies, en niet met depressie of angst (Zheng e.a. 2015; les 34). Bij (een vermoeden van) een eetstoornis leg je geen nadruk op wegen (les 33).
Een goed gekozen SMART-doel (les 37) is een begin, maar een plan voor het moment zelf helpt om de intentie-gedragkloof te overbruggen. Een als-dan-plan (implementatie-intentie) legt vast wanneer, waar en hoe: 'Als ik na mijn werk thuiskom, dan zet ik eerst thee en neem ik een douche.' Een meta-analyse van 94 onderzoeken (Gollwitzer en Sheeran 2006) vond een middelgroot tot groot effect op het bereiken van doelen (d = 0,65), en meta-analyses ondersteunen als-dan-plannen ook voor gezond eten en meer bewegen (StatPearls). Een als-dan-plan werkt goed voor risicosituaties: 'Als mijn collega trakteert, dan neem ik er één en eet ik die bewust op.'
Stimuluscontrole betekent: de prikkels in de omgeving veranderen die het gedrag uitlokken. In het terugvalpreventiemodel van Marlatt is het weghalen van prikkels een van de strategieën (Larimer e.a. 1999). Voorbeelden: geen chips in huis, de koektrommel van het bureau, een fruitschaal op tafel, de boodschappen doen met een lijstje en na het eten, niet eten voor de tv.
Gedrag dat beloond wordt, wordt vaker herhaald (bekrachtiging, § 39.2.1). Laat de cliënt een beloning kiezen die niet uit eten bestaat (een boek, een uitje, tijd voor zichzelf), en bevestig in het gesprek wat goed gaat. Sociale steun: de NHG adviseert de partner en het gezin te betrekken, omdat zij vaak dezelfde eet- en leefgewoonten hebben. Samen wandelen of samen koken helpt om vol te houden.
Het terugvalpreventiemodel van Marlatt komt uit de verslavingszorg, maar de begrippen zijn ook bij eetgedrag bruikbaar (figuur 4). Belangrijke begrippen (Larimer e.a. 1999):
Praktisch: maak met de cliënt een lijst van zijn risicosituaties, een als-dan-plan per situatie en een terugvalplan (les 37): waaraan merkt hij dat hij terugvalt, en wat doet hij dan?
Coachen is iets anders dan adviseren. Bij adviseren geef jij de oplossing; bij coachen help je de cliënt zijn eigen oplossing te vinden, met jouw kennis als bron die hij kan gebruiken. In de praktijk wissel je af: informatie over de Schijf van Vijf geef je gewoon (met toestemming: 'Mag ik u iets vertellen over ...?'), maar de keuze wat de cliënt ermee doet, ligt bij hem. De coachingshouding sluit aan bij de BGN-uitgangspunten en de beroepscode (les 37):
Mindful eten betekent met aandacht eten: langzaam, zonder afleiding, letten op honger, verzadiging en smaak. Mindfulness-programma's voor gewichtsverlies zijn onderzocht in een meta-analyse van 19 studies met 1160 deelnemers (Carrière e.a. 2018): na afloop waren deelnemers gemiddeld ongeveer 3 kilo afgevallen en bij follow-up ongeveer 3,4 kilo, met een groter effect op eetgedrag zoals eetbuien en emotie-eten. Het ging grotendeels om voor-na-vergelijkingen; of het beter werkt dan andere programma's, blijkt daaruit niet.
Intuïtief eten gaat uit van eten op basis van interne signalen van honger en verzadiging in plaats van dieetregels. Een meta-analyse van 97 studies (Linardon e.a. 2021, bijna allemaal dwarsdoorsnedeonderzoek) vond dat intuïtief eten samenhangt met minder eetstoornissymptomen, een positiever lichaamsbeeld en meer welbevinden: samenhang, geen bewezen oorzaak. Interventiestudies (Babbott e.a. 2023, negen studies) lieten verbeteringen zien in onder meer kwaliteit van leven en lichaamsbeeld; gewicht was geen hoofduitkomst. Beide benaderingen kun je gebruiken voor een ontspannener relatie met eten, vooral bij cliënten met veel lijngedrag of emotie-eten; als afvalmethode is het bewijs beperkt.
Coachen bij eetgedrag raakt vaak aan gevoelens en psychische problemen. Je rol is signaleren en verwijzen, niet behandelen:
Wat klopt er: herhaling in dezelfde situatie maakt gedrag automatischer. Wat niet klopt: een vaste termijn. In het onderzoek van Lally (2010) was de mediaan 66 dagen, met een spreiding van 18 tot 254 dagen (figuur 3); het getal 21 komt niet uit dit onderzoek. Het hangt af van de persoon en hoe eenvoudig het gedrag is. Belangrijk voor de cliënt: een dag overslaan is geen ramp. Bewijs voor '21 dagen': zwak.
Wat klopt er: mensen verschillen in hoe klaar ze zijn voor verandering, en aansluiten bij waar iemand staat is zinvol. Wat niet klopt: dat mensen netjes van fase naar fase gaan, of dat programma's op basis van fasen beter werken voor blijvend gewichtsverlies. De Cochrane-review vond daar geen overtuigend bewijs voor (§ 39.4.1). Bewijs voor fasegerichte programma's bij gewicht: zwak.
Wat klopt er: een positieve verwachting dat het je kan lukken hangt samen met meer succes. Wat niet klopt: dat dagdromen over het eindresultaat helpt. In een klein onderzoek bij 25 vrouwen met obesitas in een afvalprogramma (Oettingen en Wadden 1991) voorspelden optimistische verwachtingen meer gewichtsverlies, maar positieve fantasieën over het resultaat juist minder. Latere onderzoek van Oettingen combineert het voorstellen van het doel met het benoemen van de obstakels en een als-dan-plan (mentaal contrasteren). Bewijs: zwak (kleine studie).
Wat klopt er: mindfulness-programma's gaan samen met minder emotie-eten en eetbuien, en met een paar kilo verlies. Wat niet klopt: dat het bewezen beter werkt dan andere aanpakken; het onderzoek bestaat vooral uit voor-na-vergelijkingen (§ 39.8). Bewijs als afvalmethode: beperkt. NLP: zie les 38.
| Bewering | Oordeel | Bewijs |
|---|---|---|
| Een gewoonte duurt 21 dagen | Mediaan 66 dagen, spreiding 18-254 | Zwak (voor 21 dagen) |
| Als-dan-plannen helpen doelen te bereiken | Middelgroot tot groot effect (d = 0,65) | Sterk |
| Motiverende gespreksvoering helpt bij afvallen | Gemiddeld ± 1,5 kg extra | Matig |
| Programma's volgens de fasen van verandering geven blijvend gewichtsverlies | Niet overtuigend (Cochrane) | Zwak |
| Regelmatig zelf wegen schaadt het welzijn | Geen samenhang met depressie of angst bij afvallers | Matig (tegen) |
| Positief fantaseren over het resultaat helpt | Gaf juist minder verlies (kleine studie) | Zwak |
| Intuïtief eten doet afvallen | Effect vooral op eetgedrag en welbevinden | Beperkt |
| Mindful eten doet afvallen | Paar kilo, vooral voor-na-studies | Beperkt |
| Je doet wel | Je verwijst of overlegt |
|---|---|
| Coachen met MGV, ABC-analyse en G-schema om eetmomenten te begrijpen | Psycholoog via de huisarts: somberheid, angst, trauma; een hoge score op emotioneel eten met veel lijdensdruk |
| Technieken: zelfmonitoring, als-dan-plannen, stimuluscontrole, terugvalpreventie | Huisarts: signalen van een eetstoornis; geen afvaltraject |
| Werken vanuit de uitgangspunten: cliënt verantwoordelijk, geen visie opdringen | Huisarts of 113 (dezelfde dag): suïcidale gedachten |
| Uitleg over mindful en intuïtief eten als hulpmiddel | Huisarts: problematisch alcohol- of middelengebruik |
Werk deze opgaven eerst zelf uit en controleer daarna je antwoorden achteraan.
1.Noem de twee uitgangspunten en drie doelen van coaching volgens de BGN.
2.Maak een ABC-analyse van dit gedrag: Erik (45) haalt elke werkdag om 16 uur een reep uit de automaat.
3.Vul een G-schema in voor deze situatie: Fatima stapt op de weegschaal en is 0,5 kg aangekomen. Bedenk een helpende gedachte.
4.Noem de fasen van het transtheoretisch model en geef bij elke fase wat jij als consulent doet.
5.Wat zegt de Cochrane-review over programma's op basis van het transtheoretisch model bij overgewicht?
6.Wat betekenen de vier letters van ORBS? Geef bij elke letter een voorbeeldzin.
7.Herken verandertaal en behoudtaal: (a) 'Ik zou graag weer in mijn oude broek passen.' (b) 'Sporten is gewoon niks voor mij.' (c) 'Ik ga volgende week twee keer wandelen.'
8.Maak twee als-dan-plannen voor risicosituaties van een cliënt die op kantoor werkt.
9.Wat is het verschil tussen een uitglijder en een terugval, en waarom is de uitleg van een uitglijder belangrijk?
Tip
Maak een week lang voor jezelf een G-schema bij één moment waarop je iets at zonder honger. Wat was de gebeurtenis, welke gedachte kwam er op, en wat was het gevolg? Je leert zo hoe snel en onbewust die gedachten gaan, en hoe het voelt om ze op te schrijven.
Kies bij elke vraag het beste antwoord. De laatste opgaven zijn casussen zoals je ze in de praktijk tegenkomt.
1.Welk uitgangspunt van coaching noemt de BGN?
a.De consulent bepaalt wat goed is voor de cliënt
b.De cliënt is en blijft zelf verantwoordelijk
c.Coaching is alleen voor sporters
d.De consulent geeft altijd een dieetlijst
2.Wat betekent de C in de ABC-analyse van gedrag?
a.Controle
b.Calorieën
c.Het gevolg (consequence)
d.Coping
3.Hoe lang duurde het in het onderzoek van Lally (mediaan) tot gedrag automatisch ging?
a.7 dagen
b.21 dagen
c.1 jaar
d.66 dagen
4.Welke vijf onderdelen heeft het G-schema?
a.Gebeurtenis, gedachte, gevoel, gedrag, gevolg
b.Gewicht, gezondheid, gedrag, groep, gevoel
c.Gedachte, geloof, gevoel, gewoonte, gevolg
d.Gebeurtenis, gesprek, gevoel, gedrag, gewicht
5.In welke fase van het transtheoretisch model twijfelt de cliënt en ziet hij voor- en nadelen?
a.Voorbeschouwing
b.Actie
c.Overweging
d.Onderhoud
6.Wat past het best bij een cliënt in de voorbeschouwingsfase?
a.Een streng dieet voorschrijven
b.Geen druk, informatie aanbieden als hij wil, de deur openhouden
c.Hem een terugvalplan geven
d.Wekelijks wegen
7.Wat concludeerde de Cochrane-review (Mastellos 2014) over programma's volgens het transtheoretisch model?
a.Ze geven altijd 10 kilo verlies
b.Ze zijn schadelijk
c.Er is geen onderzoek naar gedaan
d.Er is geen overtuigend bewijs voor blijvend gewichtsverlies
8.Welke vier taken onderscheidt motiverende gespreksvoering?
a.Engageren, focussen, ontlokken, plannen
b.Luisteren, samenvatten, doorvragen, adviseren
c.Forming, storming, norming, performing
d.Meten, wegen, rekenen, adviseren
9.Waar staat de R in ORBS voor?
a.Regisseren
b.Reflectief luisteren
c.Realistisch
d.Rapporteren
10.Welke uitspraak is verandertaal?
a.'Ik heb geen tijd om te koken.'
b.'Mijn hele familie is dik.'
c.'Ik wil weer de trap op kunnen zonder te hijgen.'
d.'Diëten werken bij mij nooit.'
11.Wat is een als-dan-plan?
a.Een beloning na afloop
b.Een dieetschema
c.Een SMART-doel voor het gewicht
d.Een plan dat vastlegt wat je doet in een bepaalde situatie
12.Wat is stimuluscontrole?
a.Prikkels in de omgeving veranderen die het gedrag uitlokken
b.Je hartslag meten
c.Jezelf straffen na een uitglijder
d.Eten op vaste tijden
13.Wat geldt voor een uitglijder volgens het model van Marlatt?
a.Die leidt altijd tot terugval
b.Die betekent dat het plan mislukt is
c.Hoe de cliënt hem uitlegt, beïnvloedt of er een terugval volgt
d.Die komt zelden voor
14.Casus. Saskia zegt: 'Ik weet best dat ik moet bewegen, maar ik heb echt geen tijd.' Welke reactie past bij MGV?
a.'Iedereen heeft tijd als hij wil.'
b.'U wilt wel bewegen, en tegelijk is uw week heel vol.'
c.'Dan moet u om 6 uur opstaan.'
d.'Dan stoppen we met het bewegen.'
15.Casus. Na een feestje zegt Monique: 'Ik heb alles verpest, ik ben gewoon niet sterk genoeg.' Wat doe je?
a.Je zegt dat ze gelijk heeft
b.Je verhoogt haar doel
c.Je stelt een vastendag voor
d.Je bespreekt het als een uitglijder: wat maakte het lastig, en wat kan ze de volgende keer anders doen?
16.Casus. Peter vertelt dat hij zich al weken somber voelt, nergens zin in heeft en vaak 's nachts eet. Wat doe je?
a.Je adviseert met hem de huisarts te bespreken; somberheid gaat voor
b.Je geeft hem een G-schema als behandeling
c.Je adviseert minder te slapen
d.Je gaat door met het afvalplan alsof er niets is
Leesdiepte: [V] volledig gelezen, [S] samenvatting of betreffend hoofdstuk/passage gelezen, [Sec] via een secundaire bron.
BGN (2025). Servicedocument beschrijving leerresultaten BGN-gewichtsconsulent, versie 11: vakkennis 12 en 14, vaardigheid 9, 15, 16; TCI (2024). Toetsdocument (portfolio). [V]
Soa Aids Nederland / RIVM-LCI (2025). Handleiding counseling volgens motiverende gespreksvoering, gebaseerd op Miller WR, Rollnick S (2023). Motivational interviewing, 4e editie. [V]
Armstrong MJ, Mottershead TA, Ronksley PE e.a. (2011). Motivational interviewing to improve weight loss in overweight and/or obese patients: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Obes Rev 12:709-723. [S]
Mastellos N, Gunn LH, Felix LM e.a. (2014). Transtheoretical model stages of change for dietary and physical exercise modification in weight loss management for overweight and obese adults. Cochrane Database Syst Rev CD008066. [S]
Prochaska JO, DiClemente CC (1983). Stages and processes of self-change of smoking. J Consult Clin Psychol 51:390-395 (bibliografie bevestigd; fasen en tijdgrenzen via secundaire bronnen). [Sec]
Michie S, van Stralen MM, West R (2011). The behaviour change wheel: a new method for characterising and designing behaviour change interventions. Implement Sci 6:42. [S]
Larimer ME, Palmer RS, Marlatt GA (1999). Relapse prevention: an overview of Marlatt's cognitive-behavioral model. Alcohol Res Health 23:151-160. [V]
StatPearls: Behavior Modification en Espinosa-Salas S e.a. (2026). Behavior Modification for Lifestyle Improvement. Treasure Island (FL): StatPearls Publishing (samenvattingen via Europe PMC). [S]
Nederlands Jeugdinstituut. Wat is cognitieve gedragstherapie? (nji.nl, geraadpleegd 8-10-2026) [V]; uitleg G-schema (vijf G's) en het ABC-model van Ellis via Nederlandstalige voorlichtingsbronnen [Sec].
Lally P, van Jaarsveld CHM, Potts HWW, Wardle J (2010). How are habits formed: modelling habit formation in the real world. Eur J Soc Psychol 40:998-1009. [Sec]
Gollwitzer PM, Sheeran P (2006). Implementation intentions and goal achievement: a meta-analysis of effects and processes. Adv Exp Soc Psychol 38:69-119. [Sec]
Zheng Y, Klem ML, Sereika SM e.a. (2015). Self-weighing in weight management: a systematic literature review. Obesity 23:256-265 (zie les 34). [S]
Oettingen G, Wadden TA (1991). Expectation, fantasy, and weight loss: is the impact of positive thinking always positive? Cogn Ther Res 15:167-175. [Sec/S]
Carrière K, Khoury B, Günak MM, Knäuper B (2018). Mindfulness-based interventions for weight loss: a systematic review and meta-analysis. Obes Rev 19:164-177. [S]
Linardon J, Tylka TL, Fuller-Tyszkiewicz M (2021). Intuitive eating and its psychological correlates: a meta-analysis. Int J Eat Disord 54:1073-1098; Babbott KM e.a. (2023). Outcomes of intuitive eating interventions: a systematic review and meta-analysis. Eat Disord 31:33-63. [S]
Nederlands Huisartsen Genootschap (2025). NHG-Standaard Obesitas (M95) [V]; Akwa GGZ (2025). Zorgstandaard Eetstoornissen [V, deze hoofdstukken].
Zelfstudie voedingsleer, les 6, 32-38. [zie daar]
Bewust afgeweken van gangbare vereenvoudigingen: 'een gewoonte in 21 dagen' vervangen door de spreiding uit Lally (2010); het transtheoretisch model als gesprekskader en niet als bewezen afvalmethode, met terugval als gebeurtenis en niet als fase; 'weerstand' niet als eigenschap van de cliënt maar als iets wat in het gesprek ontstaat; positief visualiseren niet aangeraden; mindful en intuïtief eten niet als afvalmethode gepresenteerd; het G-schema als coachingshulpmiddel en niet als therapie door de consulent.